De helpster van de Bende

Vrouw Rosch was een weduwvrouw die in Meerssen een herberg uitbaatte. Een plek die als vaste ontmoetingsplaats gold voor personen die tot de Meerssenerbende behoorden. Ze stond dan ook bekend in bendekringen als iemand waarmee je zaken kon doen. In het laatste decennium van de achttiende eeuw verbleven in haar herberg regelmatig overvallers die tot deze bende behoorden. Zoals bekend kreeg haar dochter in 1796 een verhouding met bendeleider Frans Bosbeeck. De weduwe Rosch was familie van schepen Rosch uit Schimmert, een man die eveneens de rovers op allerlei manieren terzijde stond. Het is mij niet bekend waar precies de herberg in Meerssen gestaan heeft.

De bende kende haar hoogtijdagen in het tweede deel van de jaren negentig van de 18e eeuw. In april 1798 pleegde de bende een opzienbarende overval in het verre Belgische Eupen. Ze hadden het deze keer gemunt op de plaatselijke bankier Ackens. De bendeleden maakten er een grote som geld buit, maar de reactie van justitie in de omgeving van Eupen en Aken was zo heftig dat de mannen zich gedwongen zagen om uit te wijken en hun vaste verblijf in Meerssen en directe omgeving te verlaten. Een van de leiders Picard, trok met een deel van de bendeleden naar Essen en omstreken. Maar al gauw werd het daar ook te gevaarlijk en trokken ze nog dieper Duitsland in om zich bij andere Duitse bendes aan te sluiten.

Toen de Brabantse bende in het begin van de jaren negentig uiteen begon te vallen, volgde een deel de gebroeders  Bosbeeck naar het dorp Meerssen, een gunstig gelegen plaats en een potentiële uitvalsbasis voor de hele regio. Nadat de Fransen in 1794 de streek bezet hadden, bleef Meerssen effectief een grensgebied. De bendeleden konden over de grens in de Duitse regio hun misdadig handwerk verrichten om vervolgens weer hun thuisbasis op te zoeken. De herbergen in de buurt van Aken fungeerden opnieuw als plekken waar nieuwe contacten gelegd werden met Duitse overvallers. Zo kon het gebeuren dat de bende een pact sloot met de Krefelder bende, waarvan een zekere Mathias  Weber de leiding had. Omstreeks het einde van het laatste decennium van de 18e eeuw waren er meer dan vijftig man lid van de Meerssener bende.

Israël Abraham en Moyses Abraham (aliassen voor resp.Jesserool Hembdensnorder en Moysche Freyhausen) waren beiden bij de Meerssenerbende betrokken. Israël was van beroep bedelaar en vagabond en kwam in mei 1797 aan de galg te hangen. Hij woonde in Meerssen en werd in Valkenburg opgesloten. Tussen 1792 en 1795 was deze man betrokken bij inbraken van een kleine groep die uitsluitend uit joodse rovers bestond. Moyses was eveneens een vagabond, en slechts ongeveer 5 voet en een duim lang. Hij sprak meerdere talen en behoorde in 1798 ook tot de  Meerssenerbende. In datzelfde jaar werd hij met vele andere bendeleden gearresteerd en gevangen gezet te Wesel, vanwaar hij in juli 1800 ontsnapte en niet meer gepakt werd.

De familie Polak was een bijzondere familie binnen de Meerssenerbende. Vader Abraham werd geboren in het jaar 1744, en was waarschijnlijk een rondtrekkende marskramer. Het was een beroep waarmee je hier en daar wel het een en ander vernam om je voordeel mee te kunnen doen. Hij nam in 1797 deel aan wel vijf overvallen van de Meerssenerbende, die voor het grootste deel op Duits gebied rond de stad Essen plaatsvonden. Zijn kinderen Hertogh, Mozes, Salomon en Süsskind, waren ook lid van deze criminele vereniging. Van hen werd gezegd dat ze voorwendden kooplieden te zijn,maar  echter in hoofdzaak zeer bedreven waren in zakkenrollen. De echtgenotes van deze kinderen  gingen vaak mee naar winkels om er zoveel mogelijk te stelen, terwijl zij deden alsof ze iets wilden kopen. Mozes werd met zijn twee broers in 1801 in Groningen gevangen gezet. Het Groningse gerecht wilde hun uitleveren aan Het Hof van Holland, maar die toonden weinig belangstelling voor de mannen. Mozes en Salomon  werden in 1810 in Mainz gearresteerd, en daarna naar Parijs gestuurd. Van Süsskind is bekend dat hij nog in 1818 als zakkenroller actief was in de Nederlands-Duitse grensregio. Onbekend is wat er uiteindelijk met hun gebeurd is en of deze personen ergens gevonnist zijn.

Met dank aan het boek* Banditisme in de Franse tijd*  van Florike Egmond

 

Advertenties