Een nieuwe stadhouder

Nadat de republiek der Nederlanden in het begin van 1747 het besluit nam om weer een stadhouderlijk bestuur te installeren was de zoektocht naar een geschikte kandidaat niet moeilijk. Het werd Willem Karel Hendrik Friso, een achterkleinzoon van een dochter van stadhouder Frederik Hendrik. Hij had al bestuurlijke ervaring opgedaan als provinciale stadhouder in een aantal gewesten, hetgeen gold als een welkom voordeel. Maastricht wilde toen net zoals andere steden aan dit bijzondere gebeuren een feestelijk cachet geven. Via een openbare publicatie op de 27ste  mei maakte het stadsbestuur bekend welke feestelijkheden er op de dertigste mei  zouden plaats hebben. Het stadhuis zou worden verlicht, alle klokken in de stad zouden om half negen gaan luiden, en ook de carillons zouden hun vrolijke klanken verspreiden. Het werd de burgers streng verboden om vuurwerk, pijlen, moordslagers en soortgelijk spul af te steken. Ook het in brand steken van teertonnen en andere oude regionale gebruiken op dit gebied waren ten strengste verboden. De vice-schout van het Luikse gerecht schreef over de feestelijkheden het volgende: “Om drie uur in de middag begaven zich de leden van beider magistraten ( de Luikse en Brabantse) in hun koetsen naar het gouvernement. Daar gingen ze gouverneur Baron van Aylva, de vertegenwoordiger van de Prins van Oranje, afhalen. Ze begeleidden hem naar de St.Janskerk waar professor Levericksvelt van de gereformeerde Latijnse School een oratie in het Latijn tot lof van de prins zou houden.

Een feestelijke optocht

Na deze “voorstelling” trok men in optocht via de Papenstraat, Bredestraat, Wolfstraat, Kleine en Grote Staat, over het Vrijthof naar het stadhuis. Daar wachtte de plaatselijke elite een heerlijk souper. Alle straten waren met bloemen bestrooid en de burgers riepen enthousiast “Vivat Oranje”. Het stadhuis was wondermooi verlicht door brandende lantaarns en vlammende vuurpotten. Onder het bovenste balkon speelde een orkestje van trompetters en hoboisten de hele nacht door. In de drie bogen van het stadhuis waren grote schilderijen van de prins aangebracht. De boodschap voor het volk was dat men  geen gevaar meer hoefde te vrezen. De prins zou over onze veiligheid waken. Naast het stadhuis waren ook alle kerken en de commandantswoning van de gouverneur verlicht. Twee weken later, op 15 juni, vond er eindelijk het lang verwachte feest voor het stadsgarnizoen plaats. In de ochtend werd er allereerst een parade van alle troepen gehouden en in de avonduren vond een gala voor de officieren en hun aanverwanten plaats. Natuurlijk maakte ook de adel uit de stad en omstreken zijn opwachting bij dit unieke feestje. Ze werden getrakteerd op een heerlijk avondeten voor welgeteld achtenzeventig genodigden. Om iedereen te laten uitzakken, had het stadsbestuur na afloop van het souper een opera  georganiseerd met in de hoofdrol lieflijk zingende herders en herderinnetjes.. Het elitaire feest zou tot de volgende ochtend acht uur duren, waardoor men onmiddellijk aan het ontbijt had kunnen aanschuiven. Eigenlijk was het geen echte opera, maar een pastorale, waarin door twee zangers afwisselend met een koor liederen gezongen werden. Het stuk werd natuurlijk in de Franse taal gebracht, de voertaal van de toenmalige hogere klassen. Hierbij aanwezig was ook de prinses van Hesse-Philipstal, die in de Calvariestraat woonde. Zij zou in het jaar 1761 op trieste wijze om het leven komen toen het kruithuis aan de overkant van haar stadsvilla ontplofte. Die ramp was de schuld van de bombardier Abraham die in een stadsregiment diende.Hij had kruit willen stelen om het elders op illegale wijze te verkopen (* zie boek Helletocht naar de grotten)

De in 1711 geboren stadhouder met zijn moeder en zus

satdhouder willem karel frios in 1730

 

Advertenties