Een rentmeester op pad met de pastoor

Op het einde van  januari 1584 ging rentmeester Johan Copper van kasteel Blitterswijck samen met de pastoor van het dorp Wanssum op weg naar Roermond. De rentmeester was van plan er een paspoort aan te vragen bij de plaatselijke gouverneur Warlusell. Daarnaast wilde hij bij een bekende, een zekere dokter Stalborch, een pak boter bezorgen. Ze vertrokken in Blitterswijck en gingen allereerst naar Helden waar ze voor vijf stuivers een maaltijd gebruikten. Beide mannen werden daarna met een veer de rivier de Maas overgezet. Ze betaalden de veerman voor zijn veilige overtocht en nuttigden een avondmaaltijd op hun nieuwe pleisterplaats. Ze dronken na het eten elk nog een pot wijn en vielen daarna als een blok in slaap. De volgende dag zou de reis verder gaan. De avondmaaltijd op deze nieuwe reisdag gebruikten ze samen met twee bekenden waarmee ze hadden afgesproken. Op de terugweg bleven ze in het dorp Maasbree overnachten. De hele reis kostte in totaal 12 gulden Brabantse koers , en 14 stuivers. In juli van het zelfde jaar gingen de rentmeester en de pastoor nog een keer op pad om de zelfde tocht maken. Het prijskaartje viel iets hoger uit en  bedroeg  21 gulden en 14 stuivers.

Spaanse”soldaten zorgen voor onrust

De rentmeester had overigens nogal wat te stellen met de “Spaanse soldaten” die in in Well gelegerd waren. Hij had vernomen dat ze van plan waren om naar Blitterswijck te komen om er hout te kappen. De rentmeester kwam direct in actie, want dit zou in zijn gebied gebeuren. Hij gaf zijn knechten opdracht alle bomen te kappen en ze naar een veilige plaats te brengen. Hij tekende rond het midden van oktober op dat het karwei zes dagen geduurd had, en dat hij vier stuivers per dag winst had gemaakt. Overigens deed hij gewoon zaken met de in de omgeving liggende Spaanse troepen. Zo leverde hij hun tarwe en andere benodigdheden. Bij deze soldaten ging het om Nederlandse huurlingen in Spaanse krijgsdienst. Namen zoals Bloemen, Peyten, Hoeten en Boxmeer, kwamen in Spanje immers niet voor. Bier was de  populairste drank in deze tijd. Water was immers sterk verontreinigd en erg gevaarlijk voor de gezondheid. De rentmeester bedacht zijn relaties vaker met tonnen bier, maar kocht het ook voor eigen gebruik. Hij noteerde alle transacties zeer accuraat in zijn in- en uitgavenboek. Zo haalde hij een ton bier voor eigen gebruik te Wanssum en beloonde hij zijn kennis Jan Kemmerlincks ook met een ton vanwege zijn hulp bij het reinigen van de sloten en beken op zijn gebied. Alle landeigenaren waren daar toen door de overheid toe verplicht. Zijn dienstboden betaalde rentmeester met geld en met z.g. toebaten. Dat laatste gebeurde in de vorm van kledingstukken, schoenen en sokken, die deze zeer laagbetaalden goed konden gebruiken. De staljongen die de koeien en de varkens verzorgde, kreeg als jaarloon een paar schoenen en een daalder. De keukenmeisjes verdienden per jaar acht daalders, twee paar schoenen, en stoffen om mutsen en halsdoeken van te maken. De koemeisjes ontvingen ieder vier tot vijf daalders, en daarnaast nog linnen en schoenen. Ze kregen ook een soort hoofddoek die hun hoofd kon beschermen tegen stof en koude. Opvallend in dit verhaal is de betaling van de portier van Huis Blitterswijck. Hij kreeg alle voedsel evenals zijn toebaten van zijn heer, maar zijn loon moest opgebracht worden door de dorpelingen. De reden was wellicht dat deze mensen in geval van nood of gevechtshandelingen een toevlucht konden zoeken op Huis Blitterswijck.

Het dagelijkse leven op het kasteel

Kasteel Blitterswijck dat eigendom was van de familie van Lynden, die er echter niet verbleven, werd geleid door rentmeester Copper, die het kasteel beheerde als een grote boerderij. Op de landerijen rondom het kasteel werd graan en vlas verbouwd, men hield koeien en varkens en teelde fruit in de boomgaarden. In de jaren 1584-1591 werkten in totaal tien mensen op het kasteel. Er was echter vaak meer werk, waardoor er ook dagloners, bouwknechten en timmerlieden ingehuurd moesten worden, die moesten “graeven ofte spaeden, latten houwen, rijss takjes houwen en opbinden, holt kappen en tymmeren”!   Ambachtslieden uit de omgeving die kwamen klussen op het kasteel, werden meestal in geld uitbetaald. Het ging dan vrijwel altijd om smeden, schoenmakers en metselaars. Rentmeester Copper ontving zelf ook geen salaris. Hij mocht van zijn heer stukken land voor eigen gewin bewerken, zoveel turf steken als hij wilde, maar slechts twee karren hout laten kappen voor zichzelf.Toen in januari 1586 de dorpen Blitterswijck en Wanssum door de Spanjaarden veroverd werden, zochten negen en veertig inwoners uit Wanssum met vrouwen en kinderen en de bewoners van acht en veertig huizen uit Bliiterswijck met al hun vee tien weken lang een veilig onderkomen op het kasteel. De rentmeester liet hun per gezin en per koe voor de duur van hun verblijf betalen.

kasteel blitterswijck

Kasteel Blitterswijck

 

Advertenties