“Outre-Meuse”

De naam Overmaas is terug te voeren op het feit dat de in Brussel zetelende Brabantse hertogen hun gebied aan de oostkant van de Maas al gedurende lange tijd betitelden als “Outre-Meuse”. De tot het Land van Overmaas behorende streek bestond uit de Landen van Valkenburg, Dalhem en ’s-Hertogenrade, met aan de oost- en zuidzijde stukken land op Duits en Belgisch gebied. Na het Partage-tractaat uit 1661 zouden deze landen ieder uit een Staats en een Spaans deel bestaan. Na de Vrede van Utrecht in 1713 gingen de Spaanse gebieden naar Oostenrijk, dat het bestuur over deze landen zou blijven uitoefenen tot aan 1794. Het stadje Valkenburg en zijn burgers hebben in de vele decennia voor 1740 tijdens in de streek plaatsvindende gevechtshandelingen ontzettend geleden. Valkenburg werd in 1568 door de Spanjaarden overvallen en verwoest. Het Spaanse gezag zou er voortduren tot aan het jaar 1644. In dat jaar namen de Staatse troepen het stadje in en bleven er tot in 1672. De Fransen namen in dat jaar de macht over, maar moesten in hetzelfde jaar wijken voor de Staatsen die er zouden blijven. Ze lieten het kasteel  uit voorzorg afbreken en de stad geheel ontmantelen. Valkenburg telde in het jaar 1740 maar vier straten met iets meer dan zeventig huizen en ongeveer honderdvijftig inwoners, de vrouwen en de kinderen niet meegerekend.

Samen een kerkgebouw

Valkenburg bezat in dat jaar een kerk, de St.Barbarakerk, die zowel door de roomsen als de gereformeerden voor de godsdienstuitoefening  gebruikt werd. De gereformeerden konden in de ochtend over een kant van de kerk beschikken, terwijl de roomsen op dat moment hun “kerkgereedschap” van de gereformeerden gescheiden door een groot gordijn, aan de andere zijde van de kerk hadden klaar staan. Zij begonnen namelijk om elf uur aan hun kerkdienst en konden dan het gehele kerkgebouw gebruiken. Deze zelfde gang van zaken zou zich ook zo in de middaguren afspelen. De gereformeerde gemeente werd bediend door een predikant. De roomsen hadden toestemming om elk jaar een plechtige processie te houden. Als ze het waagden dit te uitbundig te doen, liepen ze het risico een boete te moeten betalen aan de Drossaard van het Land van Valkenburg. Het Land van Overmaas was een favoriet winterkwartier voor de vele legers en het fungeerde tevens als korenschuur voor de stad Maastricht. De kwartiermakers van deze troepen probeerden zoveel mogelijk mannen voor hun eigen legers te werven, alhoewel dat door de Staatse overheid streng verboden was. Het Land van Overmaas werd inde 18e eeuw systematisch geplunderd door rondtrekkend krijgsvolk. Bewoners van de streek, die toch al sterk verarmd waren,  konden zich hier onmogelijk tegen verdedigen. Het is bepaald niet vreemd dat in deze veelal ordeloze toestand groepen burgers zich samendeden en zich bezig gingen houden met diefstallen en overvallen. De aanzet tot het bendewezen werd aldus gegeven!

Kasteel-Valkenburg in 1685

Joshua de Grave, 1685: Kasteel Valkenburg

Advertenties