Twee misdadige huurlingen

Vaandrig Cassati uit het stadsregiment van Wolfenbüttel was ingekwartierd bij de Maastrichtse weduwe Gadet, een Maastrichtse dame die “Achter het Vleeshuis” woonde. Op zekere avond liep deze Italiaanse huurling in het gezelschap van een joodse man naar het huis van de weduwe. Vaandrig Cassati woonde er samen met zijn regiments kameraad Pollini op kamers. De twee mannen waren nog geld verschuldigd aan de joodse man. Deze wilde het aan beide mannen geleende bedrag eindelijk terug hebben. Dat zou niet gebeuren, want er zou zich een afschuwelijk drama gaan afspelen in de woning van de weduwe. De mannen waren helemaal niet genegen om de jood zijn geld terug te geven, maar hadden een monsterlijk en misdadig plan uitgedokterd dat hun van hun schulden moest verlossen. De het huis binnen gelokte man die geen enkel boos opzet vermoedde, zou in de woning van de weduwe op een bovenkamer op afzichtelijke wijze vermoord worden. De mannen stopten na hun daad het lijk in een kist en droegen die in het holst van de nacht naar de Maas. Vervolgens wierpen ze de kist in de rivier. Als de twee gehoopt hadden van hun probleem verlost te zijn, hadden ze het goed mis. Hun huisbazin had natuurlijk gehoord dat er in de bovenwoning iets “vreemds” aan de hand was. De vrouw was er zeker van dat daar iets ergs gebeurd was. Beide boeven hadden uiteindelijk in de gaten dat de vrouw iets in de gaten moest hebben, en biechtten daarom de misdaad aan haar op. Ze hadden geen enkele wroeging, maar wilden de vrouw met alle mogelijke middelen dwingen met niemand over het gebeurde te praten.

Huisbazin gaat naar de schout

De huisbazin kreeg echter last van haar geweten, liep naar de vice-hoogschout Collette, en vertelde hem het hele verhaal. De twee mannen hadden deze stap niet verwacht, en konden nog in de woning van de weduwe zijnde door de helpers van de schout gevangen genomen worden. De schout en zijn mannen konden in de kamer van beide soldaten nog alle sporen van het gruwelijke delict ontdekken. De twee mannen werden aan een streng verhoor onderworpen en bekenden uiteindelijk hun misdaad. Het stoffelijk overschot van de joodse man werden bij toeval een dag later door een inwoner aan de oever van de Maas gevonden. De kist met het lijk was door de stroming van het water op de oever tussen zich daar bevindende struiken aangespoeld en daar blijven hangen. De weduwe werd nu eveneens door het gerecht verhoord. Ze vertelde de schout in detail wat er precies gebeurd was. Ze benadrukte dat ze toen ze al het geschreeuw en het afgrijselijk gegil had gehoord, naar boven was gegaan om te vragen wat er aan de hand was. De mannen hadden haar echter verteld dat er niets aan de hand zou zijn, en dat ze alleen maar een onderling meningsverschil hadden gehad. De vrouw had deze uitvlucht in eerste instantie geloofd en was weer naar beneden gegaan. Even later had ze weer een enorme herrie gehoord. Ze was opnieuw de trap op gelopen, en was regelrecht naar de kamer van beide mannen gegaan. Ze had nog gehoord hoe een van de mannen de woorden “tire la pistole” geroepen had. Ze was echter zo bang geworden dat ze niet meer durfde aankloppen. Even later waren de twee huurlingen ook naar beneden gekomen. Op het verzoek van de vrouw om hun bezoeker te laten vertrekken, antwoordden beide soldaten dat dat niet meer mogelijk was. Ze vertelden haar dat er helaas een ongeluk gebeurd was, en dat de vrouw moest beloven te zwijgen over hetgeen gebeurd was. Zou ze dat niet doen, dan zou ze evenals zijzelf erg “ongelukkig” worden! De vrouw had dat als een bedreiging gevoeld, maar had er wel op aangedrongen dat de twee de dode man uit haar woning zouden verwijderen. De mannen beloofden haar om het lijk om twee uur in de nacht weg te gaan brengen. De twee officieren werden uiteindelijk door de krijgsraad veroordeeld tot de ergste straf. Hun vonnis hield in dat ze levend geradbraakt zouden worden. De terechtstelling van beide mannen vond plaats op vier februari 1747 op de gerechtsplaats aan de Oude Wijckerpoort. Beide lijken werden aan de galg gehangen en zouden er tot aas voor de raven aan blijven hangen. Een paar dagen later had een onbekend iemand ze van de galg afgehaald en in de Maas gegooid. De stoffelijke overschotten werden uiteindelijk aan de oever van de rivier gevonden tussen het aangespoelde hout. Korte tijd later gaf het stadsbestuur toch nog toestemming om beide mannen te laten begraven.

Advertenties