Het Limburgse land maakte in 18e eeuw eveneens langdurig deel uit van Oostenrijk. Leuk is het om te lezen hoe reizigers in het huidige Belgische gebied over reizen dachten!

In de achttiende eeuw nam de overheid enkele maatregelen om het transportnetwerk te verbeteren. In het begin van de eeuw waren de steenwegen nog zeldzaam in het land. Men trof er dan vooral aardewegen aan, tot tegen het midden van de achttiende eeuw de infrastructuur verbeterde. Belangrijke stenen wegen van het eerste kwart van de achttiende eeuw waren die van Gent-Brussel, Brugge-Blankenberge en Gent-Kortrijk. Enkele reizigers vermeldden de degelijke infrastructuur in hun reisverslag. Peckham die op de weg van Brussel naar Antwerpen reisde, beschreef de tocht als aangenaam, en vooral ook het idyllische uitzicht bleef op zijn netvlies plakken: een brede laan met een dubbele rij bomen waar de Senne voor zes mijlen de weg volgt, afgewisseld met mooie tuinen en villa’s. De Pöllnitz prijst het gemak van de nieuwe weg tussen Mechelen en Leuven, waar voorheen de Mechelaars verplicht waren om via Brussel te reizen om de slechte wegen te vermijden, konden ze nu via deze mooie weg reizen. Ook Forster en Voltaire waren opgetogen over de staat van de wegen.

Er was ook geen gebrek aan regelmatige postkoetsen. Een reiziger kon op een dag van Antwerpen naar Brussel rijden en onderweg ook nog Mechelen bezoeken. Edward Smith is ook verheugd over de postkoetsen zelf tussen Amsterdam en Antwerpen. Volgens hem was dit rijtuig aangenamer dan de naam deed klinken. In Engeland zou men ze zelfs een koets genoemd hebben en in Frankrijk een staatswagen. In het buitenland hadden de postkoetsen in ieder geval niet zo’n goede reputatie. De vader van Mozart verwenste zo bijvoorbeeld de Duitse postroutes die een heel slechte faam hadden.Volgens Stendhal waren de Hollandse wegen zo slecht dat hij voortdurend bang was in de wagen en moest hij bij elk poststation twee uur wachten.

Ondanks de lovende woorden van sommige reizigers bleven ook in de Zuidelijke Nederlanden enkele reizigers niet van ongemakken gespaard. Wie zich met de postkoets verplaatste kreeg te maken met wiel-en asbreuken, roofovervallen, gebrekkige verbindingen, brug-en poortrechten, tolgelden, slechte logementen en dronken postiljons.

Een Hollandse patriot die tussen Antwerpen en Gent reisde, betaalde drie Gulden drie Brabants voor de beste plaats in het rijtuig. Te Waasmunster hielden de paarden een uur stil, evenals de paarden die van Gent kwamen. Men kon er een deftige maaltijd krijgen voor niet meer dan twee Brabantse Schellingen. Hij vond het geen aangenaam voertuig, want hij werd er negen à tien uur door elkaar geschokt en geslingerd. Op de koop toe waren de riemen van de wagen losgekomen, zodat de koets hol over bol tot stilstand kwam. Latere diligences zouden prettiger worden om te reizen omdat bij de ophanging de lederen riemen vervangen werden door stalen veren.

De hertogin van Northumberland deed haar beklag in haar reisverslag over de koetsiers: “I got a horrid postillion, who run me full against a cart, at a village called St. Joris, and broke my wheel iron; after that he drove me into three wrong inns at Louvain. In Malines we again got a horrible driver, who drove us against one of the gates of the town, broke my new wheel iron and what was worse split the panel of my new chaise.Nochtans behoorden volgens een koetsiershandboek uit 1777, “Le parfait Cocher ou l’ art d’ entretenir et conduire un equipage en Ville et en Campagne”, de Zuid-Nederlandse koetsiers samen met de Normandische tot de beste uit Europa. Uit het werk blijkt ook dat dronken, ongeduldige en vloekende koetsiers een groot probleem waren. De vader van Leopold voelde zich ook niet op zijn gemak bij de koetsiers die pendelden tussen Brussel en Parijs. Hij beschreef ze als afgedankte kamerknechten, Italiaanse ezeldrijvers, spitsboeven en marskramers. Het waren steeds uit de kluiten gewassen kerels die reden alsof ze werden achternagezeten door een regiment Pruisen. Ze reden zo wild dat de bagage bij iedere post goed moest worden vastgesnoerd opdat ze er niet zou afvallen en naar de bliksem zijn.

De kosten van zo’n koets loopt uiteen. De Hollandse patriot huurde een koets, fiacre genaamd, te Brussel voor weinig geld. Maar de vader van Mozart bekloeg zich wel over de duurte van het transport tussen Brussel en Parijs. Samuel Ireland tenslotte vond het een groot ongemak dat de reiziger aan de grens tussen Holland en Brabant en aan de poorten van Antwerpen een som geld moest betalen om zijn bagage heel te laten.

Het meest tot de verbeelding sprekende transportmiddel was echter de trekschuit. Alle reizigers, en die waren talrijk, die geen eigen koets bezaten, verkozen haar boven de landweg. De trekschuit bekoorde al wie niet te haastig was, om het genoeglijke en gemakkelijke varen, in een tijd van hotsende en vermoeiende koetsen, en om de kleur en de schoonheid van het landschap. Vooral van de trekvaart tussen Gent en Brugge wilden de Staten van Vlaanderen een paradepaardje voor de buitenwereld maken. De comfortabele trekschuiten waren fraai gedecoreerd en verwenden de VIPs van die tijd. Zo reisden o.a. Peter de Grote en Lodewijk XV met deze trekschuit. De enige die niet met de trekschuit reisde was de Oostenrijkse keizer Jozef II zelf. Hij reisde per koets.

De barge was populair ook omdat ze goed georganiseerd waren. De barge kon op een comfortabele manier grote hoeveelheden passagiers vervoeren tegen een relatief lage prijs en zorgde voor een netwerk van op elkaar afgerichte routes. Dit verzekerde een dagelijkse service op vastgelegde tijdstippen gedurende gans het jaar. Dit uurschema werd uitgestippeld in ordonnanties. Bij het niet naleven van deze regels riskeerde de bargeman zware straffen. De barge was populair omdat paarden konden rusten als er wind was, de reis zonder schokken verliep, er verschillende vertrekken voor alle klassen waren, er de mogelijkheid was tot het nuttigen van een lekker maal, er veel comfort was en het een toeristische attractie was.

Trekschuiten waren langwerpige schepen met een kajuitachtige opbouw. Er waren meestal twee afdelingen: het ruim en het roef. Voor het roef moest men iets meer betalen, het lag aan de achterkant en had dubbele deuren naar het dek, waar de kapitein stond. De zijkanten hadden vensters, in het midden stond een tafel, er hing een spiegel en er waren glazen en een paar spuwbakjes. Het geheel werd voortgetrokken langs het kanaal door een paard dat via een ketslijn aan de mast was verbonden. De jager had een hoorn bij die hij gebruikte om de bruggendraaiers te verwittigen.

Wie reisde met de trekschuit? J. De Vries, die een onderzoek instelde naar de Hollandse trekschuiten in de zeventiende eeuw, komt hier tot de conclusie dat behalve de rijkste klassen iedereen met de trekschuit reisde. De rijkste klassen hadden immers hun eigen koetsen en paarden. Ook de armsten konden ondanks de kosten met de trekschuit reizen omdat de stad via armenkassen de helft van een ticket betaalden. De stad kon zo ook verlost worden van bedelaars die met de trekschuit ver werden weggevoerd. En alhoewel het transportmiddel bij uitstek voor de armen de voeten waren, moet je er wel rekening mee houden dat ook dat niet gratis was. Er waren immers tal van tollen en het was ook tijdrovender. Het grootste deel van de reizigers komt echter uit de middenklasse. Sommige reizigers zoals de Engelsman Marshall Joseph klaagden er dus wel over dat ze de schuit moesten delen met boeren die op de grond spuuwden. In het begin van de achttiende eeuw echter werden trekschuiten gebouwd waarbij de verschillende klassen apart konden zitten. De een in het ruim en de ander in de roef. Hierbij ging dan wel een kans voorbij voor de reizigers om in direct contact te treden met de inlandse bevolking. In de achttiende eeuw werden de trekschuiten in de eerste plaats gebruikt voor zakenreizen en ook door magistraten. Op de tweede plaats kwam de vrije tijd. Hierbij waren vooral het bezoeken van kermissen, jaarmarkten en familie het belangrijkste element om te reizen.

Hoe duur was de trekschuit? Volgens de Duitse reiziger Forster kom je met de bargie voor een belachelijk lage prijs van Leuven naar Mechelen. En inderdaad, de trekschuit nam een goede positie in. Ze kostte bijna even weinig als beurtveren en ongeveer de helft tot een derde minder dan de koetsen. Op vlak van comfort was ze ongetwijfeld de beste. Als we de koetstarieven rond 1800 bekijken op plaatsen in Vlaanderen waar de koetsen in competitie lagen met het watertransport, zoals Antwerpen – Leuven en Antwerpen – Mechelen, blijken de tarieven maar tweemaal zo hoog te liggen als die van de trekvaarten. Op plaatsen waar er geen competitie was met watertransport, lag het tarief op zijn minst driemaal hoger dan de trekschuit.

Enkele impressies van de reizigers over de trekschuit:

Peckham die over het kanaal Gent-Brugge reisde: “…a large boat drawn by two horses. This was still more agreeable than the dutch trekschuytes, as it has an awning over the end of the deck, where you may sit very much at your ease; below there are two separate apartements the one elegantly fitted up for the better sort of people; add to these a kitchen where they dress you a good dinner at so much a head. I don’t remember spending a more agreeable day, the weather perfectly fine, the view of the country delightful, joined to the conversation of a very pretty French woman.

Een Hollands patriot over dezelfde lijn: “dit vaartuig kan men met recht de vorstin der bergies heeten. Het is in drie vertrekken afgeschooten, die allen vrij groot zijn, ten minsten zo groot als de vertrekken van een gewoon Hollands buitenjagt. Het agterste vertrek, de kajuit, is met alle gemakken voorzien en heerlijk geschilderd en verguld. Men heeft van agteren en ter zijden groote glazen, die een ruim uitzigt opleveren. Dit vertrek word geslooten gehouden, tot dat de bergie reeds aan de gang is. Het is voor staats-en magistratuurperzoonen geschikt; wanneer die mede vaaren, neemen zijn er hun intrek, en alsdan staat het geen passagier vrij er binnen te komen. Wanneer dergelijke hooge perzonadien er niet zijn, staat het open voor elk, die zijn vragt voor de eerste plaats betaalt, en deeze komt op vijftien stuivers Brabands.

De eerste plaats voor passagiers is anders in het voorste deel van het vaartuig, het vooronder. Dit is mede een zeer fraai geschilderd vertrek, voorzien van alles wat tot gemak en veeraangenaaming strekken kan . deeze plaats kost insgelijks vijftien stuivers

Het middenste gedeelte, waar men voor vragt tien stuivers betaalt, is minder kostbaar, schoon ook netjes en gemaklijk en verre te verkiezen boven de beste roeven in de Hollandsche trekschuiten. Tot verlusting van de reizigers heeft men boven op het vaartuig een overdekte plaats, het paviljoen, dat aan het agtereinde, dat zeer hoog verheeven is, verscheiden zitplaatsen heeft, waar men de vrugtbaare landsdouwen, de schoone dorpen en gehuchten, op zijn gemak kan beschouwen. Des middags doet men het middagmaal in deeze bergie; men betaalt aan de eerste tafel vijftien en aan de tweede tien stuivers. Men dischst er overheerlijk op. Nimmer heb ik de weergade in het beste logement aangetroffen…”

Bron: Master-thesis online van Thomas de Wolf, Universiteit Gent, academiejaar 2003-2004

postkoets den haag - rotterdam

Postkoets Den Daag-Rotterdam

 

Advertenties