Een brute overval

Op een nacht in het jaar 1752 werden de boer Theunis Heynens en zijn vrouw Catharina Last in hun boerderij in het gehucht Raar bij Meerssen overvallen. De boer en de boerin waren gelukkig niet alleen in huis toen het noodlot hun trof. Een dienstmeisje en neef Jan Brands van het al op jaren zijnde echtpaar waren eveneens aanwezig. Het meisje wist zich in allerijl te verbergen achter een ton, waarin het echtpaar de melk karnde. Ze bleef daar doodstil zitten, en zou niet opgemerkt worden. De overvallers zouden zestig gulden aan contanten, allerlei soorten linnengoed, een broek, een groot aantal zilveren voorwerpen, alsmede een grijze laken broek waarin zich negen rijksdaalders bevonden meenemen. Op een gegeven moment leken de kerels er genoeg van te hebben.Ze verlieten het huis met een hoop gevloek, maar kwamen tot grote schrik van de bewoners korte tijd later weer terug. De overvallers namen nu twee grote hammen spek mee, alvorens ze definitief vertrokken. Het zou nog vele jaren duren voordat duidelijk zou worden wat er nu werkelijk gebeurd was. De boer en zijn vrouw hadden zeer geleden onder de overval en zouden helaas korte tijd later overlijden.

Eindelijk schot in de zaak

Pas in het jaar 1775 zou deze brute overval voor de rechtbank te Valkenburg gebracht worden. Een daar gevangen zittend lid van de bende nachtdieven had tijdens een van zijn strenge verhoren op het Landshuis te Valkenburg belastende verklaringen afgelegd die bepaalde personen zeer belastten. Neef Jan Brands werd na meer dan twee decennia door de rechtbank opgeroepen om als toenmalige getuige een verklaring te komen afleggen. Toen de overval plaats gevonden had, was Jan met een collega-soldaat al een paar dagen lang van de ene naar de andere herberg aan het trekken. Hij was in die tijd soldaat in het leger van generaal Hop, maar was op het moment van de overval een tijdje met verlof. Tijdens een van zijn kroegtochten besloot hij beneveld door de drank bij zijn oom te gaan overnachten. Jan herinnerde zich de overval nog goed, en kon de rechtbank nog heel veel zaken vertellen. Hij zei dat toen hij rond middernacht in het huis van zijn oom aangekomen was, hij van het dienstmeisje nog een pot bier gekregen had. Daarna was hij als een blok in slaap gevallen. Hij was echter na een paar uur wakker geworden van een vreemdsoortig gestommel. Hij kon zich nog goed herinneren hoe hij plotseling vijf kerels in zijn kamer had zien staan. Ze hadden zijn benen vastgebonden en  gevraagd waar het geld lag. Jan wist zich nog te herinneren dat de mannen een aan het Duits verwant dialect gepraat hadden. Toen de mannen weg waren, had hij zich vrij makkelijk van zijn touwen kunnen bevrijden. Het eveneens door de rechtbank opgeroepen voormalige dienstmeisje was er zeker van dat ze enkele bij de overval aanwezige overvallers herkend had. Ze was van mening dat de jood Elias uit haar woonplaats Meerssen zich onder de overvallers bevonden had. Korte tijd later was Jan naar het huis van Elias gegaan om zich ervan te overtuigen of het ook daadwerkelijk om deze kerel ging . Elias had echter geweigerd de deur open te maken. Jan had uiteindelijk zijn pogingen gestaakt en daarna zou het tot het jaar 1775 duren voordat er schot in deze zaak zou komen.

Offermans slaat door

Het was januari 1775. Joannes Offermans uit Meerssen bracht een bezoek aan schout Vignon te Valkenburg. Offermans die metselaar van beroep was, wilde bij de schout een jachtvergunning aanvragen. De schout wilde hier niet aan meewerken. Offermans wond zich daar hevig over op en schold de schout voor van alles en nog wat uit, waarop die hem ervan beschuldigde lid van de bende van nachtdieven te zijn. Of het nou wraak was van Vignon, of dat de overheidsdienaar echt vermoedde dat Offermans met verboden zaken bezig was, is nooit duidelijk geworden. De houding van Offermans was voldoende om hem in de gevangenis van het Landshuis te doen belanden. Offermans kreeg al snel te maken met de strenge examinatie, oftewel de tortuur. De martelingen waren zo zwaar, dat hij al snel doorsloeg. Als een gevangene bleef ontkennen, begon de beul op bevel van de rechtbank weer van vooraf aan met zijn marteling. Offermans beschuldigde  zo tientallen personen, waaronder vijf inwoners uit het dorp Houthem. Een gevolg hiervan was dat weer andere (vermeende) bendeleden werden aangehouden. Ook deze mannen zouden onder hevige dwang op hun beurt “bekentenissen” afleggen. Een zekere Joannes Pirongs had de pech dat zijn naam na zo lange tijd genoemd werd als medeplichtige aan de overval te Raar. De man stond in de volksmond  bekend als “Bekkers Hans”, vanwege het feit dat zijn vader het beroep van bakker uitoefende. Pirongs kwam meestal aan de kost door zijn werk als dagloner, maar werkte af en toe ook als strodekker. Hij werd in het  begin van maart 1775 opgepakt. De rechtbank maakte haast en liet hem al gauw kennis maken met de pijnbank. Zijn rechtszaak verliep bijzonder snel, en  Pirongs werd al in juni 1775 opgehangen.  Christiaen Vlecken, die oorspronkelijk uit Walem kwam, werd in zijn woonplaats Houthem in de boeien geslagen. Hij was al eerder opgepakt, omdat hij door de autoriteiten beschuldigd werd van inbraken. Vlecken was een handelaar in oude paarden. Zijn beroep leverde niet genoeg op om zijn gezin te onderhouden. Zijn kinderen moesten uit  bedelen gaan, omdat zijn gezin zo arm was als de ratten. Christiaen wist uit de gevangenis te ontsnappen, maar werd korte tijd “in effigie” (met zijn beeltenis) aan de galg opgehangen.  Het was een waarschuwing van de rechtbank! Als Vlecken ooit nog opgepakt zou worden, zou hij “in het echt” opgehangen worden! Christiaen had geluk. Hij slaagde er in om voorgoed uit handen van justitie te blijven!

Advertenties