Het op negentien maart 1774 door de rechtbank geformuleerde vonnis tegen de gedetineerde en beklaagde Willem Vrancken maakt ons duidelijk dat hij omtrent de veertig jaren oud was en geboortig van Oboteren(Opoeteren). Willem woonde met zijn vrouw Agnes Pluis in Broekhoven. Ze hadden op dat moment twee zonen, de vijftien jaar oude Gerardus en de kleine Wilhelmus die vijf jaar oud was. Zijn vrouw moet haar jongste kind  gekregen hebben toen ze al veertig jaar oud was. De rechtbank te Geulle vaardigde op zaterdag acht januari 1774 een arrestatiebevel uit tegen Willem. Ze werd daarbij geholpen door de rechtbank van Elsloo, die zo vriendelijk was geweest om de getuigenissen van een aantal verdachten uit de Heerlijkheid Elsloo aan de Geulse justitie te overhandigen. Elslonaren zoals Pieter Schoenmaekers,  Marten Mulkens, Pieter Penders en Jan Wanten hadden niet alleen opgebiecht dat Willem lid zou zijn van de “fameuse Bende”, maar dat hij ook deelachtig geweest zou zijn aan sommige diefstallen. De zaak van het Geulse gerecht tegen Vrancken zou nog eens extra cachet  verkrijgen door de belastende  informatie die de Valkenburgse justitie in Geulle liet bezorgen! Dit alles legde voldoende gewicht in de justitieschaal om de “corporeele apprehensie” van onze man uit Broekhoven te eisen ( RHCL Maastricht, LvO 7522).

Het vonnis van negentien maart 1774

De rechters deden er alles aan om het vonnis niet alleen zo nauwkeurig mogelijk te formuleren, maar ook te beargumenteren. Ze haalden de confrontaties van Willem  met andere gedetineerden erbij, vermeldden de getuigenissen van reeds gevangen zittende bendeleden, en verklaarden dat Vrancken op elf maart j.l. “buiten pijn en banden” onder ede verklaard zou hebben dat hij ongeveer zeventien jaar geleden lid was geworden van de bende en dat hij een jaar later de z.g. eed of het duivelsverbond had gedaan in een kapel op de “Schaatsbergh bij een bosken”. Hij vermeldde terloops dat hij een deel van de eed niet had kunnen verstaan omdat hij vanwege het grote aantal bij de kapel aanwezige bendeleden buiten het gebouwtje achter een deur had moeten staan!! Vrancken begon zijn relaas met de bekentenis dat hij zeventien jaar eerder boer Walraeven aan de Maesbandt had overvallen. Hij had er “twee snaphaenschoten van het huijs op schiltwaght” gestaan, terwijl een lid van de bende hem Franse brandewijn had gebracht om de nachtelijke kou te verdrijven. De functie van schildwacht zou hij ook vervullen bij de overval te Millen. Daar deed zich overigens iets vreemds voor. Waarschijnlijk had Willem zich voorafgaand aan de diefstal te veel moed ingedronken, want hij verklaarde dat hij te “beschonken” was geweest om ook maar iets van de diefstal mee te krijgen. Hij had zich in een aangrenzende wei te slapen gelegd, maar had later wel zijn deel van de buit ontvangen!Tijdens de overval op het Panhuys in Wijnandsraede had hij een uur lang gewapend met een stok op wacht gestaan bij een hek, waarna hij met zijn kompanen dezelfde weg terug  naar huis was gegaan.

Vrancken vermeldde nog een diefstal bij een inwoner uit Beek, waaraan hij zelf niet actief had deelgenomen, maar waarover hij wel voorkennis  had gehad. Het betrof hier een inbraak bij een zekere Geerken. Ten tijde van het delict zou Willem in de woning van iemand die Welterke heette hebben vertoefd. Eerlijk is eerlijk, hij vertelde de schepenen wel dat hij uit de bij Geerke buit gemaakte spullen zijn aandeel had genoten. Even later bekende Willem nog enkele “mindere diefstallen en euveldaden” gepleegd te hebben. De rechtbank kon maar een ding doen, de aangeklaagde moest met de “koorde” bestraft worden en als afschrikwekkend voorbeeld aan de galg blijven hangen! Vrancken zou op 23 maart in “processie” naar de grens van de Heerlijkheid Geulle worden gebracht en terecht gesteld worden.

Advertenties