Als de te Valkenburg in het Landshuis gevangen zittende Lins Schouteten op vrijdag zestien juli 1773 ten overstaan van de rechtbank zijn vele misdaden opbiecht, en een karrevracht aan volgens  hem bij deze daden betrokken personen noemt, is het interessant te zien welke beroepen deze mensen uitoefenen, tenminste als Schouteten ze vermeldt!

De bij de overval op de boerderij van Martinus Schroeders “aen de Handt” in het Land van Ter Heyden betrokken mannen:

Hij begint met een zekere Martinus uit Nieuwenhagen, van gemiddeld postuur, zwart van tronie, gekruld haar en dagloner van beroep. Bij deze overval was ook een man met de naam Steijns van de “Schrijfheijmerner heijde” betrokken, lang van postuur die met een door een hond getrokken kruiwagen stenen potten aan de man probeerde te brengen. Andries Smeets uit Hulsberg zou volgens Lins nu als knecht werken “in den bonten Hond “ in Amby. Tijdens bovenvermelde overval zou Andries als knecht gewerkt hebben op de hof van Peerboom. Dan noemt hij de wolspinner Rasch uit Onzel (Oensel), die vlak bij de weduwe Bouwensch zou wonen. Rasch werd door hem elders ook wel “den Roesch van Oensel” genoemd! Nol Schwartz die in “de Helle” achter Aalbeek woonde, was volgens Lins dagloner van beroep. Johannes Scheepers uit Beeker Genhout werkte regelmatig als vilder voor Dirck Herseler. Hij meende dat Johannes Bekkers uit St.Gerlach bij Geulhem kuiper was, en van Matthijs Rheijms uit Genhout wist hij zeker dat hij haemmaeker ( gareel-tuigmaker voor paarden) was.

De overval bij Ritzen in het Panhuys te Wijnandsraede in april 1762

Hierbij waren o.a. aanwezig Willem Willems, een haemmaeker uit Gen Hout, Niclaas van Nieuwenhaegen,  die met zijn handeltje in schaapsvellen vaak naar Maastricht trok om ze daar te verkopen,en  vilder Dirk Hersseler en zijn knecht Piter Broun.

De overval bij Walraeven aan de Maesbandt uit 1756

Aanwezig waren o.a. Johannes La Haije, haemmaeker uit Gen Hout, en Joannes Curvers uit Beek die “corver van zijn ambagt “ was.

Als het aan Lins bekend zijnde bendelid Dirck Hersseler op 26 juli 1773 verhoord wordt, komen we nog meer door bendeleden uitgeoefende beroepen tegen. Zo was er Machiel, een wever uit Beek, die daarnaast handelde in beesten en tamelijk groot en gezet van postuur was, ’t Fijnwerck uit Beek die tapper en korvenmaker was, de wever Helmus uit Neerbeek, Erkens uit Beek die brandewijn zou maken, Scheeren Tijs uit Neerbeek, die snijder is van beroep, maar meer houdt van jagen, en ook nog tapper is in zijn dorp, Peterke, een haemmaeker uit Klein Genhout die een vrouw uit Rekem zou hebben, Geerke een slager uit Puth, en Claes la Molte, een landbouwer uit Stein. Tijdens een eerder verhoor in juni had Dirck nog meer mannen genoemd, waarvan hij van een aantal het beroep kende.

Zo waren er Dorus van Ophoven die met allerlei “ knijpen,scheren en alderhande klinkallerijen” door het land trok, Gerrit Doutesenberg uit Crawinkel die dagloner was, den Elser Jan geboortig uit Elsloo, wolspinner van beroep en niet veel haar op zijn hoofd hebbende, Joannes van Daneken die snijder was,en Hans Matthijs die met zich bezig hield met de verkoop van olie.

Het is een bont gezelschap van personen die allen een beroep uitoefenen waarmee ze in veel gevallen geen gezin kunnen onderhouden, maar waarmee ze wel veel mensen leren kennen.  Opvallend is dat de gevangen zittende bendeleden meerdere malen hun mede bendeleden enkel met bijnaam of vanwege hun beroep kunnen benoemen.  Dat is ook weer niet verwonderlijk omdat de samenstelling van de groepen zeer sterk wisselde en de mannen elkaar pas troffen op de plek van samenkomst.  Soms worden personen omschreven met behulp  van de plek of straat waar ze zouden wonen. Waarschijnlijk zat er ook nog een veiligheidsaspect aan vast. Hoe minder men wist van de ander, des te moeilijker was het om iemand te verraden!

Advertenties