Al hetgeen vooraf ging

Rond het einde van de jaren zeventig in de negentiende eeuw, werd er in klooster van St.Agnesberg in Tongeren een handschrift gevonden waarin de reiziger zijn avonturen beschreef. De reden voor zijn reis werd voorafgaand aan de eigenlijke reisbeschrijving omstandig uit de doeken gedaan. Het bovenvermelde klooster had in het jaar 1643 een rente van zeven en een half mud spelt te vorderen van een zekere Willem Coenen, die deze rente al sinds 1631 niet meer had willen voldoen. Coenen woonde in Sluizen, een van de banken van het St.Servaas kapittel in de buurt van Tongeren , waar hij ook schepen was. Het klooster maande de man voortdurend om met zijn achterstallige betalingen over de brug te komen, maar Coenen  maakte zelfs geen aanstalten om te reageren. Het klooster had dringend geld nodig en verkocht de van Coenen te innen renten voor een bedrag van 600 gulden aan de op dat moment minderjarige Arnold Welters uit Maastricht. De helft van dit bedrag zou direct door hem betaald moeten worden, de andere helft pas als de schuld van Coenen vrijwillig of bij vonnis erkend was. Arnold werd hierbij geholpen door zijn voogd Jan Gruber, die secretaris was generaal Steijn Callenfels, de commandeur van Maastricht.

Coenen loopt in de val

De ongeduldige Gruber stelde een val op voor Coenen. Toen hij hoorde dat Coenen in Maastricht verbleef, liet hij hem met permissie van de stadscommandant gevangen nemen om hem zo te dwingen zijn schuld te erkennen. De sluwe schepen wist de volgende dag al uit de gevangenis te ontsnappen en keerde terug naar zijn woonplaats Sluizen, waar hij voor de schepenbank een zaak tegen het klooster aanspande. Hij eiste een “perpetuum silentium”, een eeuwigdurend stilzwijgen over de zijns inziens ongerechtvaardigde eis van het klooster. Moeder-overste Elisabeth Streel vroeg namens het gehele kloosterconvent aan het Servaas kapittel om andere rechters aan te stellen, aangezien de meeste rechters te Sluizen in een zeer innige familie relatie tot schuldenaar Coenen stonden. Streel eiste dat deze schepenen gewraakt zouden worden. Het kapittel toonde zich bereid  aan het verzoek te voldoen, en benoemde op zeven september 1643 een speciale rechtbank met externe schepenen uit o.a. Heer, Vlijtingen, enTweebergen, die allen schout of advocaat in Maastricht waren. Het klooster bracht nu de zaak bij deze rechtbank aan, maar schuldenaar Coenen verscheen niet op de zittingen. Hij tekende keer op keer protest aan, onder het mom dat de gevolgde procedure niet wettig zou zijn. Hij werd echter in april 1644 veroordeeld tot het betalen van alle renten en achterstallige kosten, maar waagde het om opnieuw in beroep te gaan. Uiteindelijk werd zijn beroep in augustus 1644 door de Staten-Generaal verworpen.

Wie zou denken dat de halstarrige inwoner van Sluizen het hoofd in de schoot zou werpen, heeft het mis. Coenen reisde in hoogsteigen persoon naar Den Haag waar hij op vier januari 1645 een bevel van surséance betreffende de ten uitvoering van het vonnis wist te verkrijgen. De kloosterzusters waren door deze stap in alle staten en stuurden  schout Dionisius Belgens van Vlijtingen die tevens advocaat was naar Den Haag om hun zaak te bepleiten. Belgens slaagde er helaas niet in om de heren van de Staten-Generaal te overtuigen. Zij vernietigden het proces van de speciale rechtbank, en verwezen de partijen naar de in Den Haag zitting houdende Raad van Brabant! Deze Raad zou definitief recht moeten spreken. De aanhouder in eigen persoon,seigneur Coenen, werd uiteindelijk door dit orgaan veroordeeld tot betaling van alle achterstallige renten en kosten. De nog maar even schepen zijnde man moet een torenhoge rekening ontvangen hebben! Hij verloor ook nog zijn maatschappelijk aanzien, en het St.Servaas kapittel ontnam hem zijn schepenambt vanwege het gebrek aan ( vilipendentie) achting dat hij voor de autoriteit van de deken en het kapittel getoond had.

Het reisverhaal van Dionisius Belgens volgt in deel twee!

 

 

 

Advertenties