De Haagse bureaucratie

Belgens maakte via een aantal boden contact met een paar functionarissen van de Raad van State. Hij betaalde elke bode tien schillingen en kon op al de eerste februari zijn geloofsbrieven overhandigen aan de Staten-Generaal. Hij moest hiervoor wel een bedrag van “twee specie franse croonen, doen tertijt doende noch vijff guldens ende eenen specie pattacon” betalen aan de griffier van deze raad. Aangezien Belgens het bedrag niet cash bij zich had, werd dit voor hem gehaald door de aan hem toevertrouwde klerk van Monsieur Rietraet. Belgens had nog met spoed een aantal ontbrekende stukken moeten laten nakomen uit Maastricht, die hij pas op de 18e februari bij de reeds door hem  ingeleverde documenten kon laten voegen. Ook nu weer was het de klerk van Rietraet die deze zaak voor hem afhandelde en hiervoor ”een specie franse croon” van Belgens ontving.

Hij had nog tijd voor andere zaken! Op twee maart kocht hij in opdracht van zijn Maastrichtse kennis Gruber “eene groote beerenhuijt” die door Gruber’s broer aan zijn broer Jan in Maastricht bezorgd zou worden. Gruber bleek  onder het motto “hij is er nu toch”, nog meer zaakjes door Belgens te laten opknappen. Deze moest in zijn opdracht bij de Raad van State een paspoort “regelen” voor een kennis, een koopman uit de stad Rijssel. De voortgang van Belgens eigenlijke zaak bleef maar duren, anders gezegd het schoot helemaal niet op. Dionisius moest op 26 april “salaris” betalen aan de kamerdienaars van de gedeputeerden die zich met de zaak van het klooster tegen Coenen bezig hielden. Deze dienaren beweerden dat hun dit toekwam omdat ze hun meesters voortdurend moesten begeleiden en opwachten. Belgens die het vreemd gevonden had, en ogenschijnlijk lange tijd gewacht had met betalen werd hiervoor verschillende keren  “importunelick” aangemaand door zijn contactman Rietraet. De Raad van State zou uiteindelijk afstand nemen van deze zaak en ze overhevelen naar het Hof van Brabant, waarna Belgens op negen juni aanstalten maakte om Den Haag te verlaten.

Extra aandacht voor de dienstboden

Alvorens Rietraet definitief vaarwel te zeggen, beloonde hij zijn twee klerken voor het vele werk dat ze voor hem gedaan hadden met drie pattacons. Ook het dienstmeisje had niet te klagen. Ze kreeg van de man uit het verre Maastricht een ducaton voor haar trouwe diensten. Belgens reisde vervolgens per schip via Delft naar Rotterdam, waar hij de nacht in een herberg doorbracht. Zijn volgende reisdoel was Den Bosch. Alle passagiers moesten evenwel in Gorcum  vanwege een vreselijke storm van het schip afgaan , maar  de bagage kon met hetzelfde schip  nog wel door naar Den Bosch. Hij slaagde er in om in Gorcum “eenen wagel” te huren die hem de volgende dag naar Bommel zou vervoeren. In Bommel overnachtte hij in een herberg en regelde er tevens  een kar voor Den Bosch. Belgens moest wel extra gevarengeld  betalen voor zijn vervoer aangezien vijandelijke soldaten de omgeving onveilig zouden maken. Den Bosch zou hij echter aan het einde van de ochtend gelukkig zonder problemen bereiken!

Tot zijn grote tevredenheid constateerde hij dat zijn bagage al op “de carre van Maestricht” was geladen, zodat hij niet het gebruikelijke uur op zijn vertrek hoefde te wachten. Hij at nog snel een hapje en kocht twee potten bier om “onderwegen op de heije te drincken”!! Het was al avond toen hij Eindhoven bereikte. Het was moeilijk om er een slaapplaats te vinden, “om de kermisse  en de menichte van volck”. Via de stad Bree bereikte hij een dag later Maastricht , waar hij de voerman zes rijksdaalder en zesendertig stuivers betaalde voor “sijne vracht van den Bosch tot Maestricht”. De reis in opdracht van het klooster had hem in totaal 1015 gulden en 12 stuivers gekost . Belgens was 156 dagen weg geweest. De volgende dag presenteerde hij zin onkostennota “ter discretie”. De nonnen van het St.Agnesklooster  in Tongeren moesten diep in de geldbuidel tasten, en ze zaten al op zwart zaad. Hun tegenstander Coenen had zich ontpopt tot een erg duur mannetje.

 

Advertenties