Snelle jagers

In het midden van de 18e eeuw hadden vele legers behoefte aan z.g. lichte troepen. Daarbij ging het om eenheden die zich snel konden verplaatsen, en flexibel en wendbaar waren. Aartshertogin Maria-Theresia van Oostenrijk kon in 1748 in Vlaanderen beschikken over dik 62.000 man om tegen de Fransen te vechten. Daarvan kon een vijfde deel betiteld worden als lichte troepen. Die bestonden in haar geval uit 7.800 huzaren en 5.200 “onregelmatige” troepen. Fischer was een van oorsprong Duitse soldaat die uitstekend paste in het bovenvermelde profiel. Hij werd op 17 juli 1713 te Stuttgart geboren. Na de dood van zijn vader in 1737, ging hij het Franse leger in. Hij begon er als hulpje van de graaf van Armentières. Tijdens het beleg van Praag in 1742 was hij eveneens in dienst van het Franse leger. Zijn bravour en durf vielen op en hij kreeg in 1743 van de Fransen de gelegenheid een compagnie bestaande uit partizanen en “franche chasseurs” op te richten. In het jaar 1748 zou hij met zijn ongeregelde bende in onze streken opduiken. Zijn roversbende deed “een rondje Limburg” en liet overal grote puinhopen achter. Deze troepen opereerden bijna altijd aan de randen van de strijdtonelen. Door hun wendbaarheid doken ze even snel op als ze verdwenen.

Fischer’s compagnie bestond uit 400 jagers te voet en 200 ruiters. In het begin van april 1748 moesten de burgemeesters uit de buurt van Luik in het nabijgelegen stadje Verviers opdraven bij de Franse bevelhebber, Maarschalk Löwendal. Hij deelde hun mee dat ze aan de troepen van Fischer inkwartiering moesten verlenen. Onder deze burgemeesters bevond zich ook de burgemeester van Olne, een dorpje aan de oostkant van Luik. De sluwe Fischer liet het dorpsbestuur weten dat ze tegen betaling van driehonderd dukaten de huisvesting en verzorging van zijn soldaten in het dorp weten konden afkopen. Dat was een zeer groot bedrag in die tijd en het dorpsbestuur kon dat geld eigenlijk onmogelijk  betalen. De Fransen kwamen nu met een andere eis! Als het dorp niet wilde betalen moest het bestuur een grote hoeveelheid voedsel beschikbaar stellen aan zijn leger. Uiteindelijk zou de gemeenteraad met elders geleend geld de gevraagde som aan kapitein Fischer betalen. Twee dagen later echter moest de raad alsnog een grote hoeveelheid hooi, stro en haver aan de Fransen leveren voor een waarde van bijna 1100 dukaten. De “flexibele” troepen van Fischer verplaatsten zich nu snel naar een andere streek. Niet lang daarna doken ze op in Limbourg, de hoofdplaats van het Oostenrijkse hertogdom van de dezelfde naam.

Misdadige praktijken

Fischer zou er duchtig gaan huis houden. De afgevaardigden van de Oostenrijkse Staten van Overmaaze kregen te horen dat ze honderdduizenden rantsoenen moesten leveren voor de Franse soldaten. Tevens moest de landstreek 6000 arbeiders tevoorschijn toveren om te werken aan de vestingwerken in deze streek. Zijn soldaten beroofden ondertussen de boeren, burgers en de pastoors van bijna alles dat ze bezaten. Hij vertrok korte tijd naar het dorp Lontzen in het oostelijke gelegen Duits sprekende deel van het huidige België. Daar zou  hij zijn misdadige streken voortzetten. Hij liet zijn troepen massaal goederen en andere zaken bij lokale boeren stelen. De eigenaren van het gestolen goed konden dit naderhand tegen vergoeding weer terug kopen. Zo werd de bevolking twee keer achter elkaar bestolen. Een paar dagen nadien ging hij de streek rondom Vaals en Vijlen aan een “verkenning” onderwerpen. Hij bezocht de lokale brouwerijhof met een paar van zijn kompanen, en stal terloops een paar schapen bij een arme boer. De arme boer kon met extra geld verdere onaangenaamheden afkopen. Tenminste, dat dacht hij. Binnen twee weken waren de mannen van Fischer weer terug om een deel van zijn inboedel te stelen. Een overheid die gezag uitoefende bestond niet, en de landbouwer werd ook nog verplicht om voedsel aan Fischer te leveren. En passant vernielden zijn manschappen ook nog een deel van de Lutherse kerk in Vaals.

wordt vervolgd

fisecher-knoe05_59

Advertenties