Beroepen met een grote actieradius

Kijk je naar de beroepen van gevangen genomen leden van de bende dan zie je dat ijzerwerkers, vilders, schoenmakers, spinners/wervers, dagloners, akkerlieden, voerlieden,  marskramers, veekooplieden en herbergiers in de drie perioden waarin de bendes actief zijn geweest er qua aantal uitspringen. Opvalt ook, dat meerdere van deze beroepen ertoe leidden dat de beoefenaren ervan niet aan huis gebonden waren, maar ten gevolge van hun beroep een vrij grote actieradius in de verre omgeving gehad moeten hebben. Dagloners, vilders, en marskramers b.v. beperkten hun beroepsactiviteiten nu eenmaal niet tot hun eigen dorp. Ze trokken door het land, leerden veel personen kennen, en waren voortdurend op de hoogte van nieuwtjes, die met eventuele illegale activiteiten te maken konden hebben. Net zoals nu, waren er toen ook mensen die zich niet aan de regels wilden houden en zich overgaven aan misdaden en berovingen. Helemaal met elkaar vergelijken kun je dit niet. Waar tegenwoordig de harde nietsontziende misdaad in handen is van professionele killers, waren velen in de periode 1730-1775 door de vreselijke sociale omstandigheden gedwongen om tarwe te rapen op het land of om voor een paar broden mee te doen aan een diefstal.

De rol van de herbergiers

In de artikelen over de Bokkenrijders van Geulle hebben we al gezien dat een op de Hussenberg wonende herbergier de spin in het Geulse Bokkenrijders web bleek te zijn. Een uitbater van een herberg kreeg veel klanten over de vloer, brave mensen, maar ook figuren die voortdurend op zoek waren naar contacten en tips. Een van de meest prominente figuren onder de herbergiers was Joannes Vincken uit het iets ten noorden van ’s-Hertogenrade gelegen Merkstein, die bekend stond onder de bijnaam “de Vinck”. Vincken liep in de zomer van 1743 in de val en werd opgesloten in Burcht Rode te Herzogenrath, waaruit hij na korte tijd kon ontsnappen. Volgens het door de overheid signalement, was hij ongeveer 50 jaar oud, redelijk gezet en middelmatig van postuur, liep hij wat stijfjes, droeg hij een rode baard en had hij zwart-bruin krullend haar. Uit verklaringen van verschillende bendeleden blijkt dat hij de “verleider” was, oftewel degene die het doel bepaalde,de mensen ronselde, maar ook met de meest waardevolle stukken aan de haal ging, en ze steevast bij joodse helers in de omliggende steden te gelde maakte. Naast zijn job als herbergier werkte Vincken ook nog als voerman, een positie die hem in staat stelde om op vele plekken te komen. Vele van de vilders die in Hoensbroek, Nieuwstadt en St.Joost woonden, bezochten zijn herberg als ze op doorreis waren naar hun eveneens vilder zijnde families in het hertogdom Gulik. Het feit dat Vincken er in slaagde uit zijn cel te ontsnappen en lang uit handen van justitie kon blijven, kan erop wijzen dat hij contacten had met personen die hem terzijde stonden.

Over andere herbergiers in de eerste periode van het bendewezen is niet zo veel bekend. We weten dat een zekere Steven Voncken een herberg bezat in de Uilengats bij de slagboom aan de limiet van de stad Heerlen,en dat hij op een gegeven ogenblik op de vlucht is geslagen.”Den Funck” zoals hij genoemd werd, was een buurman van de bendeleden Hendrik Cornips en Peter Douven!!  Bekend is dat hij in Luik is opgepakt, maar de afloop van zijn proces aldaar is onbekend. Christiaen de la Haije woonde in de Akerstraat in Hoensbroek, had daar een herberg en werd door vilder Joannes Honnoffs omschreven als “ophouder en verberger der gestolen goederen”. Dan was er nog de persoon van Francis van Roerich, oorspronkelijk afkomstig uit Frankrijk en wonende in het dorp Rurich in het Land van Gulik.Hij zou zijn herberg in de buurt van het kasteel gehad hebben, en daarnaast ook als jager bekend gestaan hebben. Uit een verhoor van vilder Peter Ponts weten we dat er in de Groenstraat in Hoensbroek een herbergier actief was die bier en brandewijn schonk en in de smidse woonde. Er is dus alleen van Vincken bekend dat hij een min of meer leidende rol gespeeld moet hebben. Van de anderen mogen we gevoeglijk aannemen dat hun uitspanning vooral een ontmoetingspunt is geweest voor mannen die kwaad wilden!!

Bron: Anton Blok” De Bokkenrijders” 1991

 

 

Advertenties