Taken van een veldbode

Een veldbode werd benoemd door de lokale overheid en was in brede zin verantwoordelijk voor het beweidingsrecht en de omrastering van het akkerland. Hij bepaalde wanneer er gezaaid en geoogst kon worden, wanneer een veld rijp was voor beweiding, keek of de omheiningen goed onderhouden werden, regelde het stoppelweiden, “oudtijds het streng gereguleerde, collectief gebruik om het bouwland na de oogst van de gewassen te beweiden”.
Het vee (oorspronkelijk zowel runderen, paarden als schapen) vond er zo een belangrijke aanvulling op het voor het overige zo karige rantsoen dat de wilde weide- en veldgronden boden door het vele onkruid dat na de oogst opschoot. Het bouwland onderging daarbij een zekere mate van bemesting als gevolg van de uitwerpselen die de beesten er achterlieten. De eersten die konden gaan beweiden, waren de varkens, daarna kwamen de koeien, en pas daarna de schapen. Dat veulens en geiten op dit terrein niet erg populair waren, blijkt uit het feit dat ze wel eens geweerd werden. Het stoppelweiden gebeurde onder toezicht van de dorpsherders. “Zeumeren”of aren lezen, was ofwel geheel verboden, de aren bleven dan liggen voor de varkens, ofwel alleen toegestaan aan de arme burgers, of mocht alleen overdag plaatsvinden.

Joannes Kersten, de veldbode van de Drie Vogels

De Drie Vogels was een gehucht in het uiterste zuidoosten van de bank Heerlen aan de grens met Kerkrade dat in Oostenrijks gebied lag op korte afstand van het dorpje de Locht. Kerstens functie als veldbode stelde hem in staat een groot gebied te bestrijken en precies te weten wat er daar gebeurde. Hij bezat door zijn werk uiteraard vele contacten en kon personen vrij makkelijk aan zich binden door hun voorkeursbehandelingen te geven. Kersten was getrouwd met Maria Scheeren wier broer Merten uit Spekholzerheide ( Oostenrijks territorium) eveneens tot de bende van nachtdieven behoorde. Kersten had een behoorlijk netwerk opgebouwd in het criminele circuit, want zijn schoonzoon Laurens Reumgens en zijn broer Michiel Kersten ( opgehangen in januari 1745) waren volop verstrikt in de wereld van de misdaad. Kerstens reputatie begon langzamerhand in breder verband bekend te raken, want in de zomer van 1743 berichtte de schout van Hoensbroek aan de drossaard van Staats-Valkenburg dat Kersten wel heel erg vertrouwelijk met de vildersfamilie Ponts om zou gaan. Kersten woonde evenals vele andere verdachten in kleine gehuchten die allen aan de grenzen van de verschillende rechtsgebieden lagen. Men kon zonder enige hindernis van Staats gebied naar dat van Oostenrijk of Gulik  lopen, en over grenzeloze speelruimte of uitwijkmogelijkheden beschikken.

Kersten ontwikkelde zich tot een van de aanvoerders, die niet alleen zijn eigen bendeleden aanstuurde, maar ook contacten bezigde met “aanverwante” personen in de aangrenzende gebieden. Kersten nam bij verschillende overvallen het voortouw, zoals bij de inbraak in de woning van Joannes Keulaerts in Locht in juli 1742. Kersten had deze zaak van tevoren verkend, hij woonde immers in het vlakbij liggende gehucht, en had mede voor de organisatie gezorgd. Daar bleef het niet bij, want als het op het verdelen of verbergen van buitgemaakte goederen ging ontging hem niets. Kersten werd op 26 juni 1743 gearresteerd nadat bendeleden uit Schaesberg hem hadden beschuldigd. Toen zijn  vrouw na huiszoeking korte tijd later werd opgepakt, troffen de gerechtsdienaren in haar huis allerlei gestolen spullen aan. Zij werd evenals haar man na een paar dagen opsluiting in de gevangenistoren van Heerlen gedetineerd in het Landshuis in Valkenburg. Kersten bekende na verhoor en foltering  zijn daden, maar kon wonderlijk genoeg in september 1743 uit zijn cel ontsnappen. Hoe het met hem afgelopen is, is niet geheel duidelijk. Anton Blok vermeldt dat hij later in Gulik zou zijn opgepakt en opgehangen. Ramaekers daarentegen schrijft dat Joannes Kersten op 12 mei 1744 op de Heesberg te Heerlen aan de galg zou zijn gekomen, maar zal zich daar duidelijk mee vergist hebben. Het was zijn vrouw Maria Scheeren die op 12 mei 1744 op de Heesberg in Heerlen werd opgehangen. Ook hier gold het toen heersende principe dat familieleden van schuldigen ook wel eens schuldig konden zijn!! Van de processen tegen bokkenrijders uit Heerlen is qua documenten zeer weinig bewaard gebleven, waardoor vele zaken onduidelijk zullen blijven!

Advertenties