Knuppelen van honden

In vroeger tijden was het jachtrecht een “heerlijk” recht, hetgeen wil zeggen dat de Heer van een gebied dit recht in exclusieve zin bezat. Om te voorkomen dat loslopende honden schade toebrachten aan het wild, was voorgeschreven dat deze zich niet in de openbare ruimte mochten laten zien, behalve als er een stok ( knuppel/remmel) dwars  onder de hals vastgebonden was of als de hond een hangende knuppel of een stuk hout nasleepte. Op deze manier belette of bemoeilijkte men dat honden het wild konden achtervolgen. Het territorium van de Hoofdschepenbank Heerlen met zijn grote landelijke en bosrijke omgeving  kende deze verordening ook. Toch waren er inwoners die zich niet aan het voorschrift hielden. Uit een lijst van 23 april 1714, die door jachtopziener Rietraet van Heerlen opgesteld werd, blijkt dat een aantal personen “weegend de bevondene ongecnuppelde honden” gesommeerd werden om de boete van drie goudgulden te betalen.De meesten zouden vrij snel betalen, maar een drietal, Lemmen Spiers. Hans Jurgen en Steven Vrouwenraet, bleken een maand later nog niet betaald te hebben! Ze werden dan ook een tweede keer door de gerechtsbode aangemaand om hun boete te voldoen. Het schijnt dat ze dat snel gedaan hebben, anders zou er beslag zijn gelegd op hun goederen. Jaren lang vinden we geen rechterlijke notities meer terug over dit onderwerp, dus zal het voorschrift wel redelijk trouw zijn nageleefd.

Pas in het jaar 1757 komen we weer problemen op dit gebied tegen. De beboete personen nemen echter geen genoegen met de beslissing van de overheid, en laten hun buren bij notaris Pelt een verklaring afleggen die hun moet vrij pleiten van deze overtreding van de wet. Op 25 juli 1757 verklaren de buurlui Peter Clinckers en Laurens Houben dan ook ten voordele van hun buurman Dirk Jansen uit het Heerlense gehucht Welten dat zijn hond twee maanden geleden door Nicolaes Herscheler is gevild, maar dat het dier daarvoor altijd zowel in huis als buitenshuis een knuppel had gedragen. Een week later komen we een gelijkluidende verklaring tegen van Johannes Valckenborg en Johannes Ruijters die het hondje van hun buurman Meltzer Palmen uit Heerlerheide overeenkomstig het voorschrift altijd met een knuppel hebben zien lopen. De publicatie hieromtrent was door aanplakking op de deur van de St.Pancratiuskerk  bekend gemaakt. Niemand kon er zich op beroepen dat men het niet wist, want deze kerk werd zowel door roomsen als protestanten gebruikt. Drie dagen later, op vijf augustus, verklaarden de ongehuwde Peter Cloot en een zekere Joannes Ritzen naar eer en geweten dat hun eerzame buurman Peter Groeneschilt uit het gehucht “A gen Giesen”, zijn hond altijd had geknuppeld zoals op de kerkdeur was geafficheerd.

Het schaapshondje droeg wel een knuppel ocharm

Notaris Pelt maakte op dezelfde dag nog twee andere akten op over dit onderwerp. Hij deed dit namens Mathijs Vourage die zijn beide buren ter verdediging had meegenomen. Zij verklaarden dat het schaapshondje van Mathijs ten tijde van de overtreding, zo een vijf maanden geleden, wel degelijk een knuppel om had gehad. In het andere geval beweerden Joannes Meens en Hindricus Groeneschilt dat Jacobus Brull, “inwoonder van den Hambuck”, direct na het bekend worden van de verordening zijn hond geknuppeld zou hebben, en voegden er nog aan toe dat hij nu al vier weken “vast legt”!!

Een dag later nemen Peter Hesselle en Johannes Voraetzen het op voor Mathijs Jongen, “pachter in den Franck”. Ook zij vertelden de notaris dat Jongen altijd aan zijn verplichtingen voldaan zou hebben. Over de afloop van deze affaires is niets bekend, hetgeen waarschijnlijk inhoudt dat de klager zijn doel bereikt heeft. Of de klagers  hun bereidwillige buren hebben kunnen “trakteren” is erg onwaarschijnlijk, aangezien de notariskosten ook nog voldaan moesten worden.

Het zou tot juni 1771 duren alvorens we weer iets over dit item kunnen vernemen. Luitenant Hoogdrossaard J.G. Farjon laat dan weten dat ondanks alle waarschuwingen en de jaarlijkse publicaties inwoners nog steeds en zelfs op straffe van drie goudgulden honden ongeknuppeld laten loslopen. Zo zou een zekere N.Kerkhoffs op 15 april door de  jachtbode betrapt zijn op het feit dat hij zijn hond zonder stok liet rondlopen. Dezelfde jachtbode had ook een zekere À Campo betrapt, en gerechtsbode Hermannus Beerens had de hond van L. Schoenmaeckers zonder knuppel aangetroffen in de wei van N. Dauven. Ze hadden allen een boete van drie goudgulden gekregen, maar hadden tot dan toe ondanks alle minnelijke aanmaningen dit bedrag niet betaald. Dat mensen zo een hoge boete riskeerden was op zich vreemd. Dat ze niet betaalden kan allerlei redenen hebben gehad, maar in dat geval zou de wraak van justitie groot zijn. Men zou het in veelvoud komen opeisen. Vanaf dan worden er geen overtredingen meer vermeld! Duidelijk was dat binnen het toenmalige maatschappelijke bestel allereerst de bestuurlijke, politieke en geestelijke elites kwamen, daarna kwam de burger die vooral de zakken van voornoemde groepen moest vullen en niets te vertellen had, om over dieren maar te zwijgen.

Bron: Land van Herle, nov/dec. 1957

Advertenties