De “onschuldige” metselaar

Processen uit de banken Meerssen, Klimmen, Heerlen en Beek werden gevoerd voor het hooggerecht in Valkenburg. Het daar aanwezige Landshuis deed dienst als gerechtshof en gevangenis. Toen Corstjens voorkwam, vervulde luitenant-drossaard Vignon de functie van hoofdeiser en aanklager. Herman werkte meestal als metselaar,  en trouwde op 26 september 1751 met Johanna Maria Boots, eveneens afkomstig uit Meerssen. Het stel zou drie kinderen krijgen, allen meisjes. Corstjens stond bekend onder de bijnamen “Den Toren van Meerssen” of Den Heuvel van Meerssen” en was op 13 november 1728 als zoon van Jaspar Corstjens en Maria Ackermans geboren! Corstjens werd op 25 januari 1776 na beschuldigingen van gevangen zittende bendeleden opgepakt en kreeg een dag later al te maken met de verhoren. Herman ontkende pertinent dat hij bij welke bende dan ook hoorde, en dat hij nog nooit gestolen had. Toen na de ondervragingen van de schepenbank het protocol opgemaakt moest worden, weigerde hij dit te ondertekenen. Hij wilde dit alleen doen als de rechtbank er aan zou toevoegen dat hij “ onnosel” oftewel onschuldig was.

De rechters waren duidelijk ontevreden en besloten hem op 7 februari op de martelstoel te plaatsen. Men begon met de beenschroeven, maar de man gaf geen krimp. De rechtbank gaf de scherprechter daarna opdracht om de stroppade of anders gezegd de wipgalg te gebruiken. Corstjens verloor al zeer snel het bewustzijn, werd van de wipgalg afgehaald,  en vroeg nadat hij bijgekomen was om enige bedenktijd, die hem door de rechtbank gegund werd. Zijn zelfreflectie zou nieuwe horizonnen openen, want hij bekende nu toch lid te zijn van de bende van nachtdieven, en beweerde dat Machiel Vrancken en een zekere Croussen hem ertoe verleid hadden om deel uit te gaan maken van de bende. Dat zou gebeurd zijn in de periode dat hij in Geulhem als blokbreker had gewerkt. Hij bekende ook in een kapel de eed op de duivel afgelegd te hebben, waartoe hij door de beruchte Bokkenrijder Frans Anthoon Brassé alias “De Moks”uit Schin op Geul zou zijn aangezet. Corstjens zou tijdens zijn hierop volgende verhoren tientallen namen noemen van personen die naar zijn mening tot de bende zouden behoren en vertelde en passant dat Machiel Croussen hem getipt had over de in zijn eigen woonplaats bij boer Theunis Heijnens in het Meerssense gehucht Raar gepleegde overval ( zie eerder artikel).

Een rol als schildwacht

Corstjens besefte dat hij in een doodlopend straatje was geraakt en zocht naar wegen om zijn eigen aandeel in de activiteiten van de bende te bagatelliseren. Wellicht hoopte hij er genadig vanaf te kunnen komen, want hij gebruikte net als vele andere beschuldigden het “excuus”dat hij telkens alleen maar als schildwacht op de uitkijk had gestaan. Corstjens vertelde dat hij na de inbraak bij de boer te Raar samen met Croussen naar huis was gegaan, en ontkende te weten waar de andere bij de diefstal betrokken personen naar toe waren gegaan. Via de Meerssense tam-tam zou hij de volgende morgen gehoord hebben dat enkele van zijn maten naar de woning van de jood Elias Soesman waren getrokken. Ze hadden onder een of ander voorwendsel geprobeerd in zijn huis te geraken omdat ze vermoedden dat daar illegale joden waren verborgen. Die nu weinig edele handelswijze was in die tijd een vrij legaal gegeven, aangezien joden aan allerlei restricties waren gebonden, zeer zeker gezien het feit dat joden als heler in meerdere gevallen onderdeel uitmaakten van illegale netwerken.

In de 18e eeuw gold er in de stad Maastricht die deels in Staats en deels in Luiks bezit was, een streng en restrictief vestigingsbeleid voor joden, hetgeen als gevolg had dat deze mensen uitweken naar de omliggende dorpen zoals Eijsden en Meerssen. In het jaar 1777 was 10 procent van de inwoners van Eijsden jood en hadden zowel dit dorp als Meerssen een huis synagoge. Sommige joden lieten zich zelfs dopen tot het christelijke geloof om zo aan allerlei belemmeringen te ontkomen ( bron Klaas Smelik).

stoppade

Wordt vervolgd door deel 2

Advertenties