Een plek van rechtspraak

Gedurende de 16e, 17e en 18e eeuw functioneerde het veerhuis van Blitterswijk als plek waar de schepenen van deze heerlijkheid recht spraken in de vele “ghedinghen” die bij hun rechtbank werden aangebracht. Ze beschikten zelfs over een aparte ruimte met een bijzonder opschrift boven de deur: “Diligite Justiciam vos qui Judicatis terram- “Bemint de rechtvaardigheid, gij die op aarde oordeelt”!  De spreuk werd verder verklaard in het “ghedinghboek”van de Blitterswijkse schepenbank. Het kwam er op neer dat een rechter of schepen geacht werd onpartijdig te zijn, want hij die een vals oordeel uitspreekt zal eerloos en meinedig zijn”!

Het gedingboek maakt duidelijk dat vele schepenen niet konden schrijven en de akten ondertekenden met een gaffel, kruis, of de eerste twee letters van hun naam. Het boek beschrijft vele rechtszaken, waaronder de volgende die een zekere Willem Nelissen betreft en uit het jaar 1635 dateert. Willem werd er van beschuldigd de schepenen van de rechtbank in het openbaar voor “doemzugers” ( duimzuigers) uitgescholden te hebben, en had daarbij duidelijk zichtbaar met zijn vinger rondom zijn duim gedraaid. Hij werd verplicht om voor de “gespannen bank” te verschijnen, oftewel de openbare zitting van de voltallige door de schout bij elkaar geroepen schepenbank, en moest blootshoofds en op zijn knieën zittend zijn belediging bekennen en God en justitie om vergiffenis vragen.

Hij moest eveneens beloven dat hij zich in de toekomst  beter zou gedragen. Dat was voldoende voor het Hof van Gelderland waaronder de rechtbank van Blitterswijk viel, om de man te laten gaan en hem alleen maar te veroordelen tot de kosten die de beschrijving van deze zaak met zich meebracht.

Een nieuwe eigenaar

Het veerhuis was alvorens het tot huis waar recht gesproken werd, in particulier bezit van een zekere Hendrick Klompemekers en zijn echtgenote Heilken. Zij verkochten, zoals blijkt uit een originele schepenbrief van 1565, het pand ten overstaan van schout Johan van Wieck en schepen Egbert  van Hergraven, aan Jonker Arndt van Lynden, heer van Blitterswijk, en zijn vrouw Getrudt van Dypenbroeck voor de som van honderd rijders*( munteenheid). De verkoop geschiedde onder bepaalde voorwaarden. De jonker zou aan de verkopers een erfpacht van twee en een half malder* ( ongeveer 17 en een halve kilo) rogge die zij op grond van het bezit van een weide aan hem schuldig waren moeten kwijt schelden , en de pachtvorm van het “gelegen op die Masen, Paters guet”  huis moeten aanpassen. Volgens de overlevering zou er op die plek een klooster gestaan hebben, en zou het huis daarom “Paters guet”geheten hebben. In de akten is overigens geen sprake van een klooster of wat dan ook op die plaats.

Het huis werd in 1731 verbouwd, waarvan de vier ankers die het jaartal 1731 vormen getuigen. Toen de Franse overheid aan het einde van de achttiende eeuw de kerkelijke goederen nationaliseerde, werd het Convent Bethlehem verkocht aan de heer van Blitterswijk, Cocq van Haeften die het zou gaan slopen. Hij liet alle bruikbare zaken naar Blitterswijk brengen om ze te gebruiken bij de verbouwing van het kasteel. Rond 1879 was het kasteel eigendom van Baron F.von Hamelberg.

blitterswijkc

Kasteel Blitterswijk

Info: Maasgouw 17 juli 1879, W.Hermans

Advertenties