Hooggerecht Valkenburg vraagt Den Haag om advies

Nadat de luitenant-voogd en de schepenen van het Hooggerecht Valkenburg op een mei 1777 een missive voorzien van de noodzakelijke bijlagen gericht aan de “Advocaat Fiscaal van Braband en de Landen van Overmaze” hebben opgesteld, die deze op de 12e mei onder ogen heeft gekregen, antwoordde deze hoge functionaris hun op de 27ste mei. Advocaat-Fiscaal van Steelant bericht dat het hem duidelijk is dat het door Valkenburg gevraagde advies omtrent een “zekeren Herman Corstius( protestantse naamstelling)  van Meerssen” een verdere en correct juridische afhandeling (“ justitie te doen”) van de zaak tegen Corstjens beoogt. Wellicht dat hij dit zelf af kan, maar een andere mogelijkheid zou ook kunnen zijn om drie onafhankelijke rechtsgeleerden “alhier in den Hage” daartoe te benoemen.

Joh.Fred.van Steelant  “gaat los” nadat hij laat weten alle aan hem toegezonden stukken aan een “attent examen”onderworpen te hebben! Hij oreert dat het niet vaak gebeurt dat er zulke verzoeken binnen komen, maar als ze gedaan worden zijn de Hoogmogendheden niet te beroerd om “ter Hoofdleringe” advies uit te brengen. Een sneer richting de lagere rechtbanken, die dan ook nog eens op het hart gedrukt worden om altijd het advies van drie neutrale rechtsgeleerden in te winnen. De hooggeleerde advocaat betoogt verder  het volgende: “En het ware te wenschen, dat zulks te meermalen geschiede in opzigte van Crimineele Saken, gebrogt voor de Regters ten platten Lande, veeltijds uit onkundige lieden bestaande, waar in zij het vonnis vellen, zonder dat men daar van provocatie wil admitteren”. Dat hij geen hoge pet opheeft van de lokale rechters moge duidelijk zijn.

Hij is er van overtuigd dat het gerecht te Valkenburg in de criminele zaak tegen Corstjens niet twijfelt over het door hun ingenomen standpunt betreffende het door de vrouw van Corstjens gedane verzoek om de doodstraf voor haar man om te zetten in eeuwigdurende opsluiting. Als het verzoek hun dubieus of twijfelachtig zou zijn voorgekomen, hadden ze dat zeker niet aan hem doen toekomen. Toch vindt hij dat de schepenen de resolutie van 23 februari 1776 inzake bestraffing van bendeleden verkeerd heeft geïnterpreteerd, wellicht zelfs om zich in te dekken tegen mogelijke blaam achteraf. Hij constateert verder dat de aangeklaagde zelf heeft bekend sedert enige jaren tot de beruchte bende booswichten te behoren, waarvan er in de Landen van Overmaze een groot deel met de dood zijn bestraft. Volgens van Steelant probeert Corstjens zich onschuldiger voor te doen als hij in werkelijkheid is. Heeft zijn medebendelid en beschuldiger Johannes Offermans uit Meerssen immers niet beweerd dat Corstjens niet alleen als schildwacht op wacht heeft gestaan, “maar dat hij heeft verscheijde Huijsbraken zelf direct gepleegt, in de Huijsen het geld opgepakt, daaruit weggedragen, en zijn Complicen, onder Meersen woonagtig, zelfs aangevoert, gelijk hij mede nog verswegen heeft een Tentamen tot Raar en een Huijsbraak bij Frisschen in Arensgenhout, en vervolgens niet prosumtief is , dat hij alle zijne misdaden beleden, of zoo weijnig van den Buijt geprofiteert heeft, als hij voorgeeft.

Van Steelant vindt dat Corstjens al tot de doodstraf veroordeeld zou moeten worden als hij alleen al bij een enkele inbraak met raad en daad behulpzaam zou zijn geweest. Hij heeft zich echter aan zes delicten schuldig gemaakt en dat in een tijd waarin vele andere bendeleden met de dood zijn gestraft, kortom hij had deze straf kunnen verwachten, maar heeft zich er kennelijk niet door laten afschrikken. Vijf van zijn mede bendeleden hebben hem immers beschuldigd. Daar dient men volgens van Steelant meer belang aan te hechten dan aan de pogingen van Corstjens om zich kleiner voor te stellen dan hij is. Hij heeft het merendeel van zijn daden niet bekend onder tortuur of vlak na de pijnigingen, maar een paar dagen later uit vrije wil, zodat men gerust het doodvonnis kan eisen. Voor van Steelant maakt het ook niet uit of Corstjens nou wel of niet de eed op de duivel heeft gedaan. Hij heeft de bende geholpen en dat is al misdadig genoeg!! Volgens het plakkaat van 18 maart 1732 moet Corstjens met de dood bestraft worden en hebben de officieren van justitie in de Generaliteitslanden zelfs een premie van 200 gulden Hollands uitgeloofd voor degenen die dader of daders kunnen aanwijzen. Er is zelfs een “impuniteit” gegarandeerd voor personen uit de bende zelf!

Wordt vervolgd door deel 3

 

 

 

Advertenties