Vele jaren van berouw

Van Steelant is van mening dat het “niet de minste reflectie verdient” om het verzoek “door de Naastbestaanden van desen Gevange gedaan, om hem te libereren van voorsz. Doodstraffe, en in plaatse van dien, hem te Condemneren tot een altoosdurende gevankenisse”te ovewegen. De redenen voor zijn eventuele gratie zijn volgens hem in het verzoek zo vaag en zonder bewijs gesteld, en strijdig met de waarheid, dat de Advocaat Fiscaal er nooit mee akkoord zal gaan. Hij vindt wel dat er een uitzondering gemaakt zou kunnen worden voor diegenen die “zig in dat Complot hadden geëngageert in hunne jonge jaren, daar toe verleijd zijnde, oof uit Bijgelovigheid, en Dronkenschap, off uit andere casuele oorsaken,terwijl nimmer met deselve Bende eenig kwaad hadden bedreven,off wel eenig ligt kwaad bedreven hebbende, veele jaren daar van berouw hadden betoond, en als goede en brave Ingesetenen hadden blijven leven, op dewelke Hun Hoog Mogende Resolutie van 23 Februarij 1776 alleen van applicatie kan worden gemaakt”.

Maar dit kan volgens hem nooit van toepassing op figuren die zich als leden van de bende schuldig hebben gemaakt aan inbraken, overvallen en diefstallen. Dat zou een zeer gevaarlijke tendens zijn, omdat volgens de resoluties van 1773 en 1774 op rigoureuze wijze moet worden geprocedeerd tegen deze lieden. De resolutie van 16 december 1774 stelt zelfs dat overheden z er niet aan moeten denken om gratie te vragen, maar dat het algemene belang vereist dat men zulke lieden zoveel mogelijk uitroeit. Van Steelant geeft nog eens nijdig aan dat dit ook “aan voorn. Lieut. Drossaard is gerecommandeert”. Bedoeld daarmee is de luitenant-drossaard van Het Land van Valkenburg!! Hij gaat verder, en betoogt dat er voor Frans Willem Heusschen in februari 1775 een soortgelijk verzoek is gedaan. Dat verzoek, maar ook dat van anderen is toen van de hand gewezen, en het zou onbillijk zijn als nu Corstjens wel de doodstraf zou kunnen ontlopen. Als in dit geval de doodstraf niet gehandhaafd zou blijven vanwege het feit dat de beschuldigde alleen maar op de uitkijk heeft gestaan, en weinig van de buit geprofiteerd zou hebben, zou dat kunnen betekenen dat voortaan alle aangeklaagden een zelfde beperkte bekentenis afleggen en moesten er tuchthuizen komen om de vele bendeleden op te sluiten.

Vooral niet minder hard straffen

Als de overheden minder hard zouden gaan straffen, zouden de andere bendeleden geen enkele afschrikking meer ervaren, zouden de Landen van Overmaze met gauwdieven worden gevuld, en zouden de onderdanen niet meer in leven en goederen geen enkele vrijheid meer bezitten. Het zou ook kunnen betekenen dat die rechters die bendeleden tot dan toe tot de dood hadden veroordeeld zouden kunnen gaan denken dat ze te hard gevonnist hadden! Familieleden van terechtgestelden zouden in beroep kunnen gaan tegen de executies van hun dierbaren en sommigen van hun zouden wel eens waraak kunnen nemen op de rechters die in die gevallen over leven en dood beslist hebben. Van Steelant besluit  met het uitbrengen van een advies aan de Hoogmogende Heren om het gerecht te Valkenburg op de volgende wijze in het geval van Corstjens te laten vonnissen:

„Alzoo Herman Corstius, alias den Toren ofte den Heuvel, oud zeven à
  „agt en veertig jaren, geboren te Meersen, Lande van Valkenborg,
   „Partage van Hun Hoog Mogende de Heeren Staten Generaal der
   „Verenigde Nederlanden, thans gevangene op den Landshuijse binnen
   „Valkenburg voornoemt, buijten Pijn en Banden van ijser heeft bekend,
   „en ook ex actis gebleken is:

Dat de gevangene na vele jaren tot de bende behoort te hebben, zich heeft schuldig gemaakt aan violente diefstallen, inbraken en mishandelingen van mensen en geprofiteerd heeft van de buit. Misdaden die zijn begaan bij boer Heijnens te Raar,bij  boer Walraeven aan de Maesbandt in augustus 1756, bij boer Schroders in het Rijk van Aken in de winter van 1762, bij een inbraak in Havert bij Sittard in 1770, deelgenomen heeft aan een niet uitgevoerde overval in Sittard, en aanwezig  was bij de gewelddadige overval op de roomse pastoor in Margraten. Allemaal zaken die in een land van justitie niet kunnen worden getolereerd en op de strengste wijze moeten worden bestraft. Volgens hem resteert de schepenen van Valkenburg niets anders dan de gevangene Herman Corstius te veroordelen tot de dood door ophanging.

Een duidelijke visie

Ued.Mogende zeer ootmoedige Dienaar is in zijn advies zeer duidelijk geweest. Het uiteindelijke advies van de Staten-Generaal bracht eindelijk duidelijkheid. De beklaagde zou gebracht worden naar de executieplek, daar door de beul met de strop om de hals worden gegeseld met acht roeden met voor elke roede acht slagen, vervolgens worden gebrandmerkt en uit het Staatse gebied worden verbannen. Het vonnis werd op 22 oktober 1777 voltrokken. Dit vonnis is te plaatsen in het toen ontstane beeld dat deze mensenverachtende vervolging niet langer op deze wijze kon doorgaan. Hij ontkwam aan de dood, desondanks was deze “verlichte” straf nog onmenselijk. De openbare verkoop door het gerecht van zijn in beslag genomen meubels leverde exact 40 gulden op, een bedrag dat naar justitie zou gaan ter bestrijding van de gerechtskosten.

Het overlijdensregister van het dorp Schinnen geeft prijs wat de verdere levensloop van de man uit Meerssen moet zijn geweest. Corstjens moet na voltrekking van het vonnis direct naar zijn kennis Joannes Knubben in het buiten Staats territorium liggende Schinnen zijn gegaan om er onderdak te vinden. Hij is daar op 18 juni 1779 om vijf uur in de ochtend in het huis van dezelfde Knubben overleden aan de gevolgen van een val in een waterput in het dorp Lutterade.  Corstjens voerde er herstelwerkzaamheden uit die hem het leven zouden kosten.  De mannen die met hem samenwerkten brachten hem nog naar Schinnen terug, maar het zou niet meer baten. Hij ontving de sacramenten en werd de volgende dag al begraven op het kerkhof te Schinnen.

  • Vervolgd door deel 4

 

Advertenties