Geen invloed van vervuiling en toch…

De klimaataanbidders zullen het waarschijnlijk verschrikkelijk vinden, maar uit archieven blijkt dat onvoorspelbare weersveranderingen ook al eeuwen geleden voorkwamen. In de 17e eeuw kende de Limburgse regio vele gevallen van aardbevingen, grote perioden van extreme droogte alsmede langdurig aanhoudende gigantische regens.

Dat was zeker het geval toen in augustus 1773 het dorpje Swolgen gelegen in het Land van Kessel, geplaagd werd door een vijf dagen aan eens stuk aanhoudende regen. De impact was mede zo sterk omdat men in het naburige Broekhuizen tegen alle voorschriften in een paar dijken ging opwerpen, maar ook omdat door de slechte afvoer van het water al snel de bebouwde gronden onder liepen. Schepen Johannes Janssen van Swolgen beschreef in zijn dagboek als ooggetuige de dramatische gebeurtenissen.

“Het begon op zaterdagavond 5 augustus om tien uur te regenen en dit zou aanhouden tot en met de 10e augustus. De regen viel niet in vlagen, maar aan een stuk en zo hard dat mensen niet meer hun huis durfden verlaten. Op acht augustus brak om half tien in de avond de dijk van het nabijgelegen Vlasmeer door, hetgeen het signaal was om de noodklok te luiden. De burgers raakten in paniek, en de brief van de Gelderse overheid die hun in de avonduren bereikte met als boodschap dat ze geen dijken mochten aanleggen, verbeterde hun stemming geenszins. De inwoners van Broekhuizen hielden zich niet aan de regels en begonnen op woensdag 9 augustus met het maken van een tweetal dijken bij het Vlasmeer om zo het water te keren. De kracht van het water was echter zo sterk dat deze versterkingen van rijshout en takkenbossen direct wegdreven. Twee dagen probeerden ze het opnieuw, maar het ging weer mis. Slechts de hulp van twee timmerlieden uit Broekhuizenvorst, de gebroeders Hofmans, zou tot succes leiden. De schepenen van Swolgen waren daar zeer boos over, en trokken naar Broekhuizen om de mannen te verjagen maar waren niet opgewassen tegen het geweld van het tweetal en hun medestanders, en moesten op de loop gaan.

Bode en graaf bedriegen de zaak

Het gevolg was dat Swolgen overstroomd werd. Straten, huizen en schuren liepen vol, en dieren werden door het water ingesloten. Op de twaalfde augustus ging schepen Tonis Jansen van Swolgen naar graaf von Varo in Stralen om raad te halen. De hooggeborene stelde een rekwest op waarmee een bode namens het dorp Swolgen naar het Hof van Gelder zou gaan. Uiteindelijk kwam er niets van terecht. De bode, een zekere Hendrijck Arts, en een broer van de pastoor, die kerkmeester, jeneverstoker, koopman, en bezitter van het Doumengoed was,  bakte zoete broodjes met de graaf en zou het Hof in Gelder nooit bereiken. De roeptoeterende graaf blies weliswaar hoog van de toren, maar het zette letterlijk geen zoden aan de dijk.

De nood was echt aan de man. Het water was zo sterk dat het een gat van bijna drie meter diep onder de woning van de kapelaan had geslagen, en slechts de inzet van burgers uit het naburige Mierlo kon voorkomen dat het huis wegdreef. De woning diende ook nog als schepenkamer en schooltje.  Janssen schrijft dat de inwoners van Broekhuizenvorst alleen maar langs kwamen om hun uit te lachen en te bespotten. Alle wegen waren een “kneij diep” uitgedreven en hij vermoedde dat er wel “drie dusent karren sant” in de wei van Thnis Gooren lagen. Vele huizen, schuren en stallen waren vernield. Sommige inwoners hadden met “groot geweelt” van bomen en schansen het water gekeerd, maar bij de meesten was alles ondergelopen, zelfs tot aan Megelsum, een gehucht van Meerlo, toe.

Een eeuw later zouden inwoners van het dorp de overstroming onder het genot van een glas “oud” herdenken.

 

 

Advertenties