Adellijke machtsspelletjes

Toen in het jaar 1397 de adellijke elite weer eens aan oorlog toe was, en Jan van Beieren, de prins-bisschop van Luik, samen met zijn bevriende collega, hertogin Johanna van Brabant tegen zijn zwager (!!) de hertog van Gelre ten oorlog trok, namen de Luikenaars op 20 september 1397 het stadje Echt in. Als eerste werd Echt natuurlijk geplunderd en in brand gestoken, beproefde middelen van de adellijke dames en heren om de burgers angst aan te jagen. Er waren in die tijd nog geen echte legers, maar het krijgsvolk werd samengesteld uit burgers, en gilde- of ambachtsmannen. De buit gemaakte klok van Echt werd daarom als dank voor bewezen diensten aan het ambacht van de goud- en zilversmeden toegewezen. De Luikenaars hadden er zin in, en trokken verder naar Roermond. Ze kwamen van een koude kermis thuis, en werden gedwongen om rechtsomkeert de maken. Er zou hun nog een andere verrassing wachten. Bij de “Roode Brug”  in het dorp Meerssen werden de Luikenaren aangevallen door een Gelderse legermacht die hun de terugweg wilden beletten. Ze verloren vele strijders, waaronder een van hun aanvoerders, burgemeester Jehan le Cocq. Uiteindelijk keerde het tij in hun voordeel. Ze bereikten op 29 september hun thuisbasis met de klok en de rest van de buitgemaakte goederen. Omdat het dorp Echt niet in staat was om het door Luik gevraagde bedrag voor hun klok te betalen, kreeg de Luikse kerk van O.L.Vrouw Aux Fons deze cadeau!

Hieruit bleek eens te meer dat zelfs de clerus in die tijd de buitgemaakte klokken niet als gestolen beschouwden, maar als eigendom dat ze verkregen had op grond van het geldende oorlogsrecht. Bijna twee eeuwen later speelde een soortgelijke zaak in het Limburgse Blerick. Staatse troepen die onderdeel waren van het stadsgarnizoen te Venlo vielen in Blerick een aantal vooruitgeschoven Spaanse troepen aan, die zich daar verschanst hadden. De aanwezigheid van de Spanjaarden was reden genoeg voor de Hollandse huurlingen om uit hun dak te gaan. Het stadje werd in brand gestoken, de kerk werd verwoest en de grote klok werd mee terug genomen naar Venlo. De klok kreeg een plekje op de “s-Hertogenhof”, waar ze zou blijven totdat de Blerickenaren aanstalten maakten om de klok voor goed geld terug te kopen.

Serviele Maastrichtse overheid

Vlak daarna maakte de hertog van Parma zijn opwachting  bij de stad Venlo, om er aan een belegering te beginnen. Aangezien de Staatse troepen gebrek aan geschut hadden, liet het stadsbestuur de buit gemaakte klok van Blerick omgieten tot twee stukken geschut. Een van de kanonnen “liet echter al snel  het leven” vanwege de vele eruit afgevuurde kogels. Het andere kanon zou intact blijven. Venlo zou op 28 juni 1586 capituleren. Dat was gunstig voor Blerick. De rust in de streek keerde enigermate terug, en de burgers konden zich bezig houden met de opbouw van hun dorp. Er werden nieuwe klokken gegoten, maar dat belette de het Blerickse bestuur niet om de Venlose magistraat om teruggave van hun klokken te vragen. De Venloren leken wel doof voor hun smeekbeden, waarop de kerkmeesters van Blerick zich tot bisschop Jacobus à Castro van Roermond wendden. Deze stelde  op 9 april 1612 (!!) middels een brief aan het Venlose bestuur voor om het geschil als verstandige mensen op te lossen, of om anderszins Blerick een redelijke geldbedrag aan te bieden. Uiteindelijk zou dit voorstel ook niet tot een oplossing leiden.

Nadat Maastricht in 1673 door de Fransen was veroverd, vorderde hun aanvoerder graaf de Lude van de geestelijkheid van de St.Servaas voor de terugkoop van hun klokken een som van 20.000 livres. Het kapittel reageerde verontwaardigd en kon tenslotte voor 10.000 gulden Franse munt de klokken terug krijgen. Uiteindelijk werd het bedrag van terugkoop bepaald op 11.000 gulden, een som die door de kapittels van St.Servaas en O.L.Vrouwe omgeslagen werd over de in de stad aanwezige parochies en kloosters. Het merendeel van het bedrag zou voor rekening van bovenvermelde partijen komen. Dit spel zou zich in 1748 herhalen. Nadat Maastricht weer eens voor de Fransen gecapituleerd had, eisten de laatsten 20.000 rijksdaalders voor de “redemptie der klokken”. Er volgde een spoedoverleg van het stadsbestuur met de afgevaardigden van de kapittels en kloosters. Besloten werd om een som van 5000 rijksdaalders aan de Fransen aan te bieden, een bedrag dat de Franse gevolmachtigde de Sechelle weigerde te accepteren. De tussenkomst van de maarschalk van Saxen leidde tot een lager bedrag van 19.200 gulden. De stad en de geestelijkheid legden elk een bedrag van 10.000 gulden op tafel. Het verschil van 800 gulden werd cadeau gegeven aan de commandant van de Franse artillerie. Men boog en boog…..zoals altijd !!!

Advertenties