Lambert Canna, de schoenmaker

Van Canna weten we dat hij rond 1710 in Meerssen geboren is, en woonachtig was naast het “bekende” bendelid Joannes Offermans. Canna zou twee keer trouwen, de eerste keer met Maria Smitsmans en de tweede keer na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1759 met Catharina Muytens. Canna had ook een tijdje in het gehucht Haasdal in Schimmert gewoond en was schoenmaker van zijn vak, en bezat ook een paar stukken grond. Dat hij verder een arme sloeber was, zou blijken bij de executoriale verkoop van zijn bezittingen. Hij werd op 17 januari 1776 gearresteerd. Uit de bewaard gebleven lijsten van de scherpe examens blijkt dat hij In februari en maart in totaal drie keer gemarteld werd tijdens zijn verhoren. Die verhoren verliepen vaak dramatisch, hetgeen betekende dat er een chirurgijn aanwezig moest zijn die het nodige oplapwerk moest verrichten om de aangeklaagde weer klaar te stomen voor het volgende gewelddadige verhoor.

In dit geval functioneerde Thomas Corriaux als chirurgijn. Hij diende trouw zijn onkosten nota’s in die betrekking hadden op zijn behandelingen. Hieruit blijkt dat hij voor ruim 21 gulden aan aroma’s en verband gebruikte om Lambert weer op de been te krijgen. Deze aroma’s ( geurmiddelen) moesten de gevangene uit zijn toestand van bewusteloosheid, vaak een gevolg van de onmenselijke tortuur door de beul, halen. Scherprechter Hamel uit Maastricht diende een pittige nota van 55 gulden in voor het op 10 mei geselen van Canna met acht roeden en acht slagen voor elke roede, voordat Canna op 11 mei 1776 verbannen werd. De gedwongen verkoop van zijn goederen en beesten zou een bedrag van 15 gulden opbrengen, een bedrag dat overigens naar justitie zou gaan!

Matthijs Emands, de dagloner

Emands was geboren in de Heek en in Hulsberg getrouwd met Maria Agnes Meeuwissen, een zus van bendelid Wouter Meeuwissen. Uit een verhoor van bendelid Lins Schouteten op 21 juni 1774 wordt duidelijk dat “Matthijs woonende te Broekhem, aldaar getrouwd met sekere Agnes, soone van Anthoon uijt den Heek, woonende tegens over de put” beschuldigd werd van lidmaatschap van de bende van nachtdieven. Matthijs die in Broekhem woonde, werd er door Schouteten van beticht deelgenomen te hebben aan de overval op de kluis een dikke negen jaar eerder. Emands werd op 9 maart 1775 opgepakt en zes dagen later aan een scherp verhoor onderworpen. Hij had de pech op 23 maart 1775 ook nog eens door Geertruid Bosch als bendelid of complice aangemerkt te worden, hetgeen niet goed was voor zijn CV. Dit zou het einde verhaal worden voor de arme dagloner, die misschien een brood of een paar stuivers gekregen had voor zijn medewerking aan een paar diefstallen, maar dat in de ogen van de gereformeerde Hollandse overheidsdienaren met de dood zou moeten bekopen. Dat was al weer een katholiek of in hun ogen een ketter minder!!

Emands werd op 4 april 1775 opgehangen. De executoriale verkoop van zijn “meubels” zou 16 gulden en 10 stuivers opbrengen. Vaste goederen bezat hij niet. Waarschijnlijk betaalde hij huur!

**wordt vervolgd door deel 5

 

 

Advertenties