Het Maaswater als vijand

Uit oude handschriften blijkt dat de natuur in vroeger tijden ook al op onvoorspelbare wijze  zijn werk deed. In het jaar 877 stak er zulk een krachtige wind op in de maand april dat “veele huijsen en schouwen zijn afgewaijt”. Een jaar later vond er een zware aardbeving plaats die vergezeld ging van “donder, blixen en tempeest”, waarbij huizen en kastelen vernield werden, alle vruchten op aarde bedorven en er een grote hongersnood ontstond met vele doden ten gevolg. In 881 was het water van de Maas zo plotseling gestegen dat 1500 mensen verdronken. Dat was ook het geval in 934, maar toen vroor de rivier ook nog eens dicht tot in maart 935. Het weer schijnt daarna zo opgeknapt te zijn, dat men al in mei brood van nieuw koren kon eten, en nieuwe wijn met Maria Hemelvaart!!! Twee jaar daarna regende het van St.Jansdag ( 24 juni) af tot in augustus, zodat alle vruchten op het land verrotten. Zelfs de druiven in Frankrijk en Duitsland legden het loodje, en alles werd zo duur, dat men in Luik 12 gulden voor een vat koren moest betalen.

De winter van 937 was zeer streng. Hij begon al op St.Maarten, en zou duren tot in februari. Het koren schijnt daarna zo overdadig gegroeid te zijn dat men al een Luiker vat voor 18 stuivers kon kopen. Het jaar 938 was een rampjaar. Er werden zoveel mensen ziek, dat ze letterlijk op straat omvielen. Achtendertig jaar later begon het in november te vriezen. De vorstperiode zou aanhouden toe eind april 977. Hetzelfde zou gaan gebeuren in november 977, en de ellende zou eveneens duren tot einde april 978.

“Iedereen zag ze vliegen”

In 995 moesten de inwoners uit pure nood kruiden en wortelen eten, aangezien alle “aerdevruchten” verrot waren door perioden van lang aanhoudende regen. Het nieuwe millennium opende met een optimistische klank. In juli kon men volgens de kroniekschrijver al nieuwe wijn drinken. Over de kwaliteit is niets bekend. In 1012 zorgde een zware storm ervoor dat de toren van de kerk van Hoei omviel en in het middenschip van de kerk terecht kwam, waardoor alle kanunniken, kapelaans en kerkgangers op jammerlijke wijze omkwamen. De zich op straat bevindende mensen “wierden van den wint ter aerde nedergeslagen”!

Twintig jaar later overspoelde een vliegenplaag met een groot gedruis de stad. Alle mensen die gestoken werden zouden overlijden. De kroniekschrijver beschouwde het als een plaag van God. In het jaar 1033 ontstond er ten gevolge van de hevige regen een hongersnood. Alle landvruchten gingen kapot. Er zou een grote sterfte volgen, waarbij “die geene die de dooden ter aerde brochten, oock in de graven doot vielen”!! In het hierop volgende jaar moest de prins-bisschop van Luik vele honderden mensen uit eigen beurs onderhouden, aangezien het voedsel door de misoogsten zo duur was geworden dat normale burgers dit niet meer konden betalen. Tja, een van de zeldzame keren dat deze “goedheilig” man iets goeds kon doen!

Advertenties