Herman Meeuwissen ( 1742-1776)

Tot de Bank Meerssen behoorde in die tijd ook het gehucht Broekhem, waar Herman als boer (akkerman) de kost verdiende. Hij was in 1766 getrouwd met de even oude Catrijn Jongen uit Oud-Valkenburg. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Johan Casper in 1768 en Herman in 1773. De jongste zou in 1795 trouwen met Gertrude Mac Kaye, een dochter van een voormalige Engelse huurling. Herman bezat een aantal stukken landbouwgrond ter waarde van 1000 gulden, niet weinig in die tijd. Hij was een zwager van rotmeester Anthoon Emands van de wacht in de Heek, die in november 1774 tijdens een verhoor op de pijnbank de rechtbank in Valkenburg alles vertelde over de dertien jaar eerder gepleegde overval op de kluis op de Schaelsberg tussen Schin op Geul en Valkenburg. Een tijdje later bereikten allerlei geruchten over Meeuwissen de Valkenburgse schout, hetgeen aanleiding was om de man op 11 januari 1775 op te pakken. Meeuwissen werd flink aangepakt. Hij werd drie keer op de pijnbank gelegd: op 16 en 22 februari en op 7 maart. Gerechtschirurgijn Corriaux moest ook hem met allerlei middeltjes bijstaan om hem na de zware mishandelingen van de beul in het rijk der levenden te houden. Dit alles in de hoop dat Herman nog meer zou opbiechten of nog andere namen zou noemen!” Den 16 fibriwari getorturt hermanus meuwesen en den 9 meij
den selven gehangen — —  — —  55.” Deze nota van de beul maakte duidelijk wat zijn  werk was en wat hij ervoor telde. Herman werd schuldig bevonden en op 9 mei 1776 opgehangen. Zijn bezit werd in opdracht van de rechtbank aan de hoogste bieder verkocht. De meubelen brac hten 128 gulden op, en de granen 6 gulden en 17 stuivers. Uit het overzicht van de administratie van de rentmeester van Overmaze blijkt dat zijn vaste goederen d.d. 7 december 1776 nog verkocht moesten worden. De rentmeester had hiertoe “nog te vercopen”genoteerd.

Steven Meeuwissen ( 1729-1775)

Broer drie, Steven was woonachtig in Strabeek en in 1764 gehuwd met Beatrijs Lambrighs. Ze kregen een jaar later een jongen, Herman, en in 1768 een meisje Anna Elisabeth. Steven werd na beschuldigingen door gevangen zittende personen opgepakt en op 21 en 22 maart 1775 aan een pijnlijk verhoor onderworpen. Hij werd op zulke schandalige wijze mishandeld dat hij een dag later in zijn cel zou overlijden. Op dezelfde dag werd hij door de ons bekende herbergsdochter Geertruid Bosch uit de Heek genoemd als een van de deelnemers aan de overvallen bij broer Frissen in Aerensgenhout en de kluis bij Walem, meer dan dertien jaar geleden. Bosch had ook haar broers Gosewijn en Steven als lid van de bende nachtdieven betiteld. Er viel niets te halen bij Steven. De rechtbank ving bot. De opbrengst van zijn bezittingen was nihil. Hij had er namelijk geen. Voor een enkele hand-en spandienst was hij letterlijk in opdracht van justitie dood gemarteld. Om te laten zien welk een slecht mens hij volgens justitie was, werd hij op 22 juni 1775 demonstratief onder de galg begraven.

Wouter Meeuwissen ( 1738-?)

Broer Wouter woonde eveneens als Herman in Broekhem. Zijn zus was gehuwd met Matthijs Emands, een zoon van de bij Herman Meeuwissen genoemde Anthoon Emands uit de Heek. Wouter heeft waarschijnlijk via het geruchtencircuit vernomen dat hij beticht werd van kwade streken. Zo vertelde Geertruid Bosch het volgende over zijn aandeel in de overval op de kluis: “Verders verklaerde dese dat nog geassisteert Wouter Mevissen, denwelke thans bij Theunissen te chapel voor knegt woont, gekleed in een blauwen keel en gewapent met eenen flindte”. Wouter die bij een boer genaamd Theunissen in Aken ( chapel) werkte en woonde, ging er tussen uit.

Hij werd bij verstek veroordeeld tot verbanning. De gedwongen verkoop van zijn beesten bracht 69 gulden en 5 stuivers op. Dat dekte allemaal de geweldige kosten van de massale vervolgingen in het Zuid-Limburgse land op geen enkele wijze, maar vertelt meer over een overheid die aan een extreme vorm van tunnelvisie leed.

Advertenties