Joannes Offermans ( 1731-1776)

Joannes brengt zichzelf in moeilijkheden

Joannes trouwde in 1765 met de vier jaar oudere Helena Penders. Joannes had Meerssenaar Lambert Canna, een bekende uit het milieu der nachtdieven, als buurman. De twee mannen kenden elkaar al van kindsbeen af. Offermans was zoals algemeen gebruikelijk in die dagen ongeletterd en oefende het beroep van metselaar uit. Hij had daarnaast nog een paar “hobbies” zoals vissen en jagen. Op zich was dat al strafbaar, want de openbare ruimte waarin dit gebeurde was in het algemeen eigendom van de heer van de streek, van kloosters of van kerken. De in 1731 geboren Offermans werd op 17 januari 1776 gearresteerd. Offermans kwam ook voor in het door de familie van Herman Corstjens uit Meerssen gedane gratieverzoek. Volgens de overheid had Offermans verteld dat Corstjens niet alleen op wacht had gestaan, maar dat hij ook daadwerkelijk had meegedaan aan overvallen en inbraken.

Joannes wordt op 23 en 25 januari aan een pijnlijk verhoor onderworpen, en heeft ten  gevolge van deze behandeling door de beul een week lang, van de 24ste tot en met de 31ste, de hulp nodig van gerechtsdokter Corriaux om er weer een beetje bovenop te komen. De balsems, aroma’s en verbanden moeten ervoor zorgen dat de man zodanig opknapt, dat hij opnieuw in handen van de beul gegeven kan worden. Joannes was door een aantal van zijn “criminele bekenden” beschuldigd lid van de bende te zijn. Dat vertelden tenminste Joannes Pirong uit Houthem en Willem Haegman uit zijn woonplaats aan hun verhoorders. Joannes zou zich zelf in moeilijkheden gaan brengen. Hij vertrok op de 16e januari te voet naar Valkenburg om daar bij schout Vignon een jachtvergunning voor zijn “jacht hobby” aan te vragen. Vignon weigerde hem deze om de een of andere reden te geven, waarop Offermans enorm boos werd en de schout begon uit te schelden. De overheidsdienaar liet het er niet bij zitten en diende bij de Valkenburgse rechtbank een aanklacht in tegen de hondsbrutale Meerssenaar.

Een wraaklustige overheidsdienaar

En passant maakte hij de schepenen duidelijk, Vignon zal wel meer geweten hebben over Offermans, dat deze man lid van de bende moest zijn. Zoals gezegd werd Offermans de volgende dag in Meerssen opgehaald en vakkundig opgesloten. De man werd extreem hard aangepakt. Het was evident dat de schout op wraak uit was. Offermans moest zijn eigendommen in handen van justitie geven en werd ondanks al zijn ontkenningen aan de tortuur onderworpen. De pijnbank werd hem te machtig, want hij bekende al vrij vlug daadwerkelijk lid van de bende te zijn. Zo gaf hij toe mede boer Theunis Heynens in het Meerssense gehucht Raar  te hebben overvallen. Offermans moet een fenomenaal geheugen gehad hebben, want hij lepelde tijdens de recollectie van zijn verhoren achter elkaar 54 namen op van bendeleden die aan een overval van 24 jaar eerder zouden hebben deelgenomen. Dat moet niet goed gevallen zijn in de kringen van zijn Meerssense gezellen, want van die 54 kwamen er 17 uit het dorp zelf.

De rest kwam uit Weerth, Houthem, Haasdal en Arensgenhout. Volgens Joannes hielden de leden van de bende bij hem thuis niet alleen vergaderingen, maar had hij in hoogsteigen persoon ook mannen als lid aangeworven. Hij verschafte het gerecht zelfs een inkijkje in de “ideologie” van de bende: “om met ter tijd de Rijken alles af te nemen en dat elk zijn best moest doen om in de Bende aan te werven ende te recruteren”!! Offermans had zogezegd wel een idee om de elite aan te pakken.

Corstjens en Hendrik Heynen waren de leiders van de Meerssense tak der bende, en zij beraamden de overval op de boer te Raar in een woning aan de Cruysstraat, de straat die nu nog naar de Raarberg leidt. Offermans werd op Raar als schildwacht geposteerd. Hij dacht tijdens de overval al heel snel dat er mensen aankwamen, sloeg alarm, en waarschuwde snel zijn maten die er als hazen vandoor gingen. Het bleek loos alarm te zijn, want er was geen ziel te bekennen. Er werd een tweede poging ondernomen om de boer te overvallen door een kleinere groep, hetgeen lukte. Op de Raarheide werd de buit vervolgens broederlijk verdeeld. Offermans kwam niet meer in vrijheid. De nota van de gerechtsarts bedroeg ongeveer 16 gulden en die van de beul voor het pijnigen en ophangen 55 gulden. Het vonnis luidde “ophangen aan de galg” en dat gebeurde op 9 mei 1776. De krant meldde er het volgende over:

MAASTRICHT, den 14. Mey. Gepasseerde Donderdag den 9 dezer zyn te Valkenburg wederom 3 Boosdoenders, van meergemelde godlooze bende, op de ordinaire gerichtsplaats opgehangen.”

 

 

Advertenties