Werk aan de winkel

Maastricht heeft een paar eeuwen lang een groot stadsgarnizoen gekend dat veelal uit buitenlandse soldaten bestond die dit werk meestal als huurling verrichtten. Niets was deze mannen vreemd, hetgeen inhield dat de vleselijke lusten ook  bevredigd moesten worden. Tengevolge van deze situatie was er altijd al een groot aanbod van vrouwen die de soldaten van dienst waren en daarmee hun levensonderhoud bekostigden of het werk er zo maar bij deden. Soms waren deze vrouwen nog met andere gevaarlijker zaken bezig, dan alleen het verkopen van hun lichaam. Zo liep er in de stad een zekere Marie Bollaard rond, die er door de schout van beschuldigd werd soldaten uit het garnizoen tot desertie te hebben aangezet. Marie was geen onbekende in justitiekringen. In februari 1723 was ze vanwege overspel, toen een echt misdrijf, gedurende drie jaar uit de stad verbannen. Marie was voor geen kleintje vervaard. Ze hield zich niet aan de strenge regels van de overheid en was in april 1725 al weer terug op haar plek. Marie, een veelzijdige tante, werd spoedig opgepakt voor diefstal van allerlei stoffen bij winkeliers in de stad. De dame werd in eerste instantie opgesloten een cel in het oude stadhuis. Tijdens de rechtszaak werd duidelijk dat ze bij haar criminele praktijken was geholpen door haar zus Cathrijn. Marie kreeg nu de toorn van de overheid over zich heen, werd aan een strenge geseling onderworpen, en voor eeuwig verbannen uit de stad. Die zou niet meer terug komen.

Gevaarlijke bezigheden

Zestig jaar later werd een zekere Maria Kerswiller in Maastricht na een bevel van de stadscommandant gearresteerd. Dat een en ander niet pluis was, bleek uit het feit dat ze ondervraagd werd door de krijgsraad en daarna uitgeleverd werd aan het Brabants gerecht.  Deze dame had allerlei contacten met gedeserteerde soldaten die uit vrees voor strenge straffen van de Maastrichtse overheid naar het noordelijker gelegen Smeermaas waren gevlucht. Maria fungeerde als een soort boodschapper voor de uitgewekenen die via haar met briefjes probeerden andere in Maastricht aanwezige soldaten over te halen om ook te deserteren. Maria zorgde voor touwen en andere spullen waarmee de soldaten uit hun kazerne konden ontsnappen, en wees hun de plekken aan waar ze ongestoord over de grens konden gaan. In oktober 1785 werd ze voor al deze activiteiten door het gerecht veroordeeld om op het schavot “strengelijk door de scherprechter te worden gegeseld en daarna voor “altoos uyt deze stad te worden verbannen”. Ze had groot geluk gehad. Ook haar vriendin stond terecht voor het aanzetten tot desertie en voor haar “soldatehoere spelen”. Zij werd voor zes jaar uit de stad verbannen. De hier vermelde deserteurs uit Staatse dienst hadden in Smeermaas een relatief veilig onderkomen. Het dorp hoorde tot de zelfstandige jurisdictie van de Heerlijkheid Pietersheim. De overheid van de stad Maastricht had daar niets te vertellen. De mannen werden vooral geworven door Pruisische ronselaars uit Aken die zich in de omgeving van de stad ophielden. Zij hadden de honing, lees het geld, bij zich waarmee ze de bijen probeerden te lokken. Twee van deze ronselaars waren al veel eerder, in het jaar 1733, in een hinderlaag gelokt, opgepakt en opgesloten in herberg “In de Helm”, het latere hotel “Du Casque” aan het Vrijthof. Ze werden korte tijd later, op 21 januari 1733, doodgeschoten. Een derde man werd over de grens richting Aken uitgezet.

vgz-rek-lantink-75-e873

Prachtige litho van de firma Schürmann uit Aken

Advertenties