Ronselaars leggen het loodje

In het begin van januari 1732 werden in Maastricht een tweetal Pruisen in opdracht van het stadsbestuur dood geschoten. De reden hiervan was, dat ze in de stad, dus op Staatse grond, gepoogd hadden om soldaten te werven voor het Pruisische leger. Het ging volgens de toenmalige begrippen om een zeer ernstig vergrijp. Dit soort praktijken bracht ten enen male de veiligheid van de stad in gevaar. In het geval van de twee Pruisen ging het om de luitenant Wolfsleber (Wolfshagen) en een zekere Delwich. De eerste soldaat werd begraven in protestantse St.Martenskerk. Delwich, die het roomse geloof aanhing werd  bij de Paters Minderbroeders ter aarde besteld. Dit trieste verhaal werd opgetekend door een zekere Balthasar Becker uit Maastricht die het in 1733 in Frankfurt aan de rivier de Mainz liet uitgeven. Deze onverkwikkelijke  zaak was begonnen met een burger uit Aken die handel in snuiftabak dreef met de stad Maastricht. Hij was goed bekend  in de stad en verkeerde omwille van zijn handel ook vaker in de lokale herbergen die buiten de stadsmuren gelegen waren. Deze gelegenheden werden eveneens druk door soldaten van allerlei pluimage bezocht. Zo kwam het dat hij in een van deze herbergen een Hollandse soldaat had ontmoet die in het Maastrichtse garnizoen diende. Hij begon een gezellig praatje met deze soldaat die de naam Bulow droeg. De man vroeg hem of de geboortige Akenaar geen ronselaars kende die hem voor een fikse som geld als soldaat bij een regiment wilden onderbrengen. De Akenaar hield zich begrijpelijk op de vlakte, maar toen hij terug in zijn geboortestad was, nam hij contact op met de hem bekende  ronselaar Wolfshagen. Hij vertelde hem uitgebreid over het verzoek van de Hollandse man.

Wolfshagen komt in actie

Wolfshagen liet om begrijpelijke redenen onder een andere naam een brief bij soldaat Bulow bezorgen. Maar dat pakte helemaal verkeerd uit. Er dienden namelijk twee personen met die naam in het regiment. De “verkeerde Bulow” kreeg de brief in handen en stapte ermee naar zijn overste. Die had direct in de gaten dat hier iets fout zat, en verzon een list. Soldaat Bulow nummer twee zou met een andere soldaat ingaan op het voorstel van Wolfshagen.Wolfshagen kreeg een bericht dat ( de verkeerde) Bulow hem wilde ontmoeten. Ze spraken af om elkaar te ontmoeten in het vrije Rijksgebied Wittem, dat een tiental kilometers achter Valkenburg gelegen was. Wolfshagen kwam er aan in het gezelschap van von Delwich en een zekere sergeant Baumgarten. Ze gingen naar het zich daar bevindende  kasteel van graaf von Plettenberg om er op de Hollanders te wachten. De twee Maastrichtse soldaten hadden de stad al een paar dagen eerder verlaten en hielden zich met acht andere onderofficieren schuil in Gulpen. Van daaruit lieten ze Wolfshagen weten dat ze graag op Staatse bodem met hem wilden praten. De Duitsers trapten in de val. Nadat Wolfshagen met von Delwich de mannen ontmoet had begon hij zich te bedenken. In zijn ogen waren de mannen te klein van gestalte en niet geschikt voor een soldatenbestaan. Hij adviseerde hun om terug naar hun onderdeel in Maastricht te gaan. De mannen kregen beiden een dukaat van Wolfshagen als goedmakertje. Toen de Duitsers aanstalten maakten om de ontmoetingsplek te verlaten, werden ze door een aantal boeren uit Gulpen en de eerder genoemde onderofficieren gevangen genomen en geboeid naar Maastricht gebracht. Een van de boeren gedroeg zich als een dolle stier en loste een schot op von Delwich , nadat hij een pistool uit diens zadeltas had weten te bemachtigen. De mannen werden in Maastricht allereerst naar de Hoofdwacht op het Vrijthof gebracht. Hun volgende adres werd verrassenderwijs het nabijgelegen hotel “De Helm”. Ze werden er opgesloten in een aparte van tralies voorziene kamer. De volgende dag voerde men de mannen naar de gevangenis in de St.Pieterspoort. Wolfshagen was plotseling erg ziek geworden. Het gerecht stelde zich echter hard op en weigerde een dokter toe te laten tot de man. De krijgsraad sprak uiteindelijk de doodstraf uit. Twee predikanten kregen de moeilijke taak de mannen in te lichten omtrent hun lot. De datum van de executie werd vastgesteld op 21  januari. Het stadsbestuur  wilde vaart achter de zaak zetten. Vlak voor hij gefusilleerd werd riep Wolfshagen nog dat hij de wereld tot getuige wilde maken van het feit dat hier twee mensen voor een gering iets gedood werden. Hij verzocht Baumgarten om een zakdoek voor zijn ogen te binden. De mannen waren nog niet direct dood na de fusillade die door incapabele schutters uitgevoerd werd. Het gerecht kende echter geen genade en liet beide mannen ter plekke dood bloeden. Onderofficier Baumgarten ontsnapte aan een wisse dood. Hij werd door het gerecht verplicht de terechtstelling bij te wonen maar kon het Staatse gebied verlaten nadat hij te horen had gekregen dat hij nooit meer een voet op Staats territorium mocht zetten.  De Duitser Becker maakte een versje naar aanleiding ding van het gebeuren: “De dood verwierf ons hier, terwijl wij anderen wierven, zodat wij allebei aan dezen arbeid stierven”.

Bron: De ijzeren maagd van drs.Jef Leunissen

 

Advertenties