De zelfstandige Heerlijkheid Elsloo kende geen eigen hoge jurisdictie, hetgeen inhield dat ze het uitvoeren van der zwaarste straffen aan iemand anders moesten overlaten, meestal aan de beul van de stad Maastricht, Jan Hamel. De vier eigen schepenen werden dan ook versterkt door drie “buitenschepenen”, uit resp. Bemelen, Eijsden en Mechelen aan de Maas. Het “secretariaat”werd waargenomen door Johannes Winandus Roemers, notaris te Maastricht. Roemers was afkomstig uit Hoogcruts en vader van priester Arnoldus Franciscus en jurist Charles Clément Roemers.  Zo konden de tot elite behorende functionarissen op makkelijke wijze hun salaris her en der aanvullen en ontstond er vaak een ongewenste vermenging van belangen. Als openbare aanklager trad Johannes Caspar Servaas de Limpens op, die ook nog als advocaat in Maastricht werkte en tevens drossaard in Mechelen aan de Maas was. Ook toen al konden de toppers alles aan, vooral als het om relaties en eigen beurs ging. Eventuele processen tegen inwoners van de Bank Elsloo werden gehouden in het Oude Stadhuis (Dinghuis) te Maastricht. Mogelijke wetsovertreders werden er ook opgesloten, maar de straffen werden uitgevoerd op de grens van de Heerlijkheid Elsloo zelf, zodat het “gepeupel” goed kon waarnemen wat het betekende om te zondigen tegen de geldende wetten.

Bastiaan Boosten

Een van de eersten die we tegenkomen is de smid Boosten die in 1758 trouwde met Margareta Vrusch uit Beek, een zus van de bendeleden Joannes en Christiaen uit Beek. Boosten werd door een paar gevangen zittende delinquenten beschuldigd van lidmaatschap van de bende. Zo vertelde Dirk Hersseler op 26 juli 1773 aan het gerecht dat “eenen Smet (bovengeschr: M.R. Boosten) woonende tegensover waar de heer Gobbele gewoont heeft in de Straet als men van de Plaets na Lambermont gaet”, aan verscheidene diefstallen schuldig zou zijn”. Helaas bleef het daar niet bij, want op 15 en 16 september 1773 meldde Mathijs Smeets uit Beek dat een zekere “Bastiaen Boostens een jaar geleden bij de schepen Brugge tot Lummerich ( Limbricht) als complice geassisteerdt had bij een inbraak”!

De Elsloose tam-tam deed haar werk, waardoor Boosten op de een of andere wijze vernam dat bendeleden hem beschuldigd hadden. Het was alsof hij de grond onder zijn voeten voelde wegzakken. Waar moest hij heen? Toen de rechtbank op 14 november 1774 het vonnis tegen hem uitsprak, was hij er lang vandoor. “Beclaegde Bastiaan Boosten werd voor altoos uijt deze vrij Heerlijcheid en vrij Baronie verbannen, met interdictie van noijt in dezelve te moogen verschijnen, op pœne van daarinne bevonden wordende, zwaarder te worden gestarft, met condemnatie van denzelven in de Costen en misen van justitie ter onzer Taxatie en moderatie met Confiscatie van goederen.
Actum op den ouden Stadhuijze binnen Maestricht nae becomene territorium
Den 14. november 1774”

Het vonnis werd drie dagen later nog eens in het openbaar aan de Kaak van Elsloo voor ieder die het wilde horen voorgelezen. Daar bleef het niet bij, want op 3 februari 1775 werd er bij verstek eveneens en nogmaals vonnis gesproken tegen Bastiaan Boosten, nu in Valkenburg. Luitenant-drossaard W.Vignon trad in deze zaak op als openbaar aanklager. Voor hem wat het duidelijk dat “den beclaegden Bastiaen Boosten een Litmaet is der berugde en godloose bende gaudieven, knevelaers en boosdoenders welke sedert eenige jaeren het Lant geinfecteert en welkers pligtigen thans soo hier als in de nabuurigen Landen ter straffe getrocken geworden, en tot alwelke bende den beclaegden hem heefd ingelijfd en verbonden”.

De “slotmaeker” kreeg het nog eens voor zijn kiezen. Boosten had volgens deze functionaris “geassisteert en gecoopereert aen en bij  seventhien violente huijsbraeken, Diefstallen en knevelarieen, alle in actis gespecificeert en gedetailleert. Van welke diefstallen den beclaegden sijn aendeel genoten en geprofiteert heeft”. Dergelijke gruwelijke feiten en enorme delicten konden volgens hem in een land van politie en justitie niet worden getolereerd, maar behoorden tot afschrikking van iedereen bestraft te worden.

Boosten werd vervolgens door het Hooggerecht van de Stad en Vrijheid Valkenburg mede uit naam van de Hoogmogende Heren van de Staten –Generaal van de Verenigde Nederlanden voor eeuwig uit de Drie Landen van Overmaaze, Partage van Haar Hoogmogende, alsmede uit het gebied van de Generaliteitslanden verbannen. Mocht Boosten de euvele moed hebben om tegen deze zware straf te zondigen, dan zou de rechtbank naar bevinden handelen, lees de doodstraf hanteren.

Het vonnis werd “naar voorgaende klokkeslag van de puije van’t Lands huijs binnen Valkenborg ten overstaan van de Heren van den Geregte gepronuntieerd op den 16 Februarij 1775”. Uit de administratie van de rentmeester van De Landen van Overmaaze blijkt dat de bezittingen van Boosten bij gedwongen verkoop niets opleverden. Weer was een arme drommel, een smid uit Catsop, geslachtofferd door een nepotistische elite.

Bronnen: Anton Blok en RHCL Maastrichtrepubliek Gewesten+en+Generaliteitslanden

 

Advertenties