In voor de hoogste functie

Als landvoogd functioneerde de graaf als de hoogste gezagsdrager in dit deel van het Limburgse land dat toen Staats-Valkenburg werd genoemd. Hij kreeg deze functie op het hoogtepunt van de afschuwelijke repressie en vervolging die voornamelijk door gereformeerde bestuurders in een grotendeels katholieke regio uitgevoerd werd. Denk nu niet dat deze adellijke heer in zijn gebied kwam wonen. Hij liet het dagelijkse bedrijf mooi over aan een luitenant-voogd die hij hiervoor had ingehuurd. Deze man woonde overigens in Maastricht, en was lang niet altijd bij de criminele verhoren aanwezig. Dit werd overigens in een resolutie van de Staten-Generaal van de Landen van Overmaas d.d. 28 april 1777 verplicht gesteld. De waarnemend voogd moest aanwezig zijn “om na behooren agt te geven dat darinne het recht der hoge overigheid werde bewaard, en de goede ordre en alle omsigtigheid werde geobserveerd sonder dat hij Luit.Drossard sig daarvan sal mogen onttrekken, of zulks overlaten aan den advocaat of procureur”.

Op pijnlijke wijze werd in dezelfde resolutie overigens een einde gemaakt aan een van de vele voordeeltjes die gezagsdragers op kosten van de overheid konden genieten. “Dat Haar Hoog Mogendheden  hem Luitenant-Drossard verders gelasten sorge te dragen dat in het vervolg bij het executeeren van crimineele vonnissen geen maaltijden voor hem officier  en gerechten mitsgrs. andere persoonen ten koste van den lande van Overmaaze of der geëxecuteerden werden aangerecht en dat in het generaal alle noodeloze kosten” voorkomen moesten worden. Dat moet voor lange tenen gezorgd hebben. In het midden van het jaar 1775 had stadhouder Willem V een gesprek met graaf van Welderen over de toestanden in het Land van Valkenburg. De graaf informeerde Willem daar uitvoerig over en erkende dat vele z.g. bendeleden misleid waren en uit dronkenschap of onwetend aan overvallen hadden deelgenomen. Het was volgens hem pijnlijk dat zoveel mensen terechtgesteld waren en dat de tortuur veelal een beslissende factor was geweest bij deze hardvochtige vonnissen. Daar bleef het bij voor de graaf.

Te veel om handen

Hij mengde zich niet actief in het vervolgingsbeleid van zijn plaatsvervanger. Hij had het daar gewoon te druk voor. Stadhouder Willem V adviseerde naar aanleiding van dit gesprek zijn verantwoordelijke functionarissen in Limburg om met minder hardheid op te treden tegen de vervolgden. Er is zeer weinig te vinden omtrent van Welderens verdere rol in deze onverkwikkelijke periode uit de Staatse geschiedenis. Wel benoemde hij zoals we al zagen, een telg uit een Maastrichtse familie van hervormde notarissen tot waarnemer over het gebied. Dat was luitenant-voogd Brüll, die overigens in 1775 vervangen werd door de gereformeerde rechtskundige Pélerin. Ook Brüll was vrijwel onzichtbaar in de uitoefening van zijn functie. Met misdaadbestrijding had hij helemaal niets. Er kwam felle kritiek op zijn handelen, en wel van de advocaat-fiscaal die er fijntjes op wees dat Brüll zelfs niet eens in zijn rechtsgebied woonde!  Een jaar later werd Brüll vervangen.

Een begrijpender iemand

Pélerin zou uiteindelijk wel gaan optreden in deze droeve saga betreffende de vervolging van vele onschuldig veroordeelde Limburgers. Vanaf het eerste begin pleitte hij al voor een andere en zachtere toepassing van de vervolging. In december 1776 berichtte hij zijn hoogste baas dat er al een hele tijd geen veroordeelden meer opgehangen waren in het Valkenburgse land. Op 5 mei 1777 laat hij in een ambtelijk schrijven aan zijn meerderen in Den Haag weten dat de bende weliswaar veel rumoer heeft veroorzaakt, maar minder kwaad was dan altijd voorgesteld werd, “ cést une bande qui a fait beaucoup de bruit et peu de mal”!! Dat was tenminste een begrijpender toontje voor een door en door verarmde burgerbevolking die niet wist of ze in de avonduren nog wat te eten hadden, terwijl hun bazen hun kastelen dure feesten en partijen gaven.

Naar zijn overtuiging was het merendeel der aangeklaagden niet schuldig aan de vele vergrijpen. Hij was zeer betrokken bij zijn baan en woonde in tegenstelling tot zijn voorgangers de zittingen van het bestuur altijd bij.  Johan van Welderen stamde overigens uit  een  Gelders adellijk geslacht. Zijn voorvaderen hadden allen reeds hoge posities gehad in het bestuur van Gelderland en in Den Haag. Op basis van deze stamboom kon hij eveneens een flitsende loopbaan opbouwen. Wie rijk was bleef meestal rijk, en wie uit een voornaam geslacht kwam en ook protestant was, kon rekenen op belangrijke posten. Net zoals nu leed de bestuurlijke top aan een zorgwekkende cumulatie van ambten en aan een gevaarlijk soort nepotisme dat tot bevoordeling van de eigen rangen leidde. Johan van Welderen bezocht de Limburgse streek waar hij de allerhoogste baas was vrijwel nooit. Zijn oudste broer Lamoraal (!) werd  door hem tot commandant van de stad Maastricht benoemd. Johan verhuisde zelfs naar Den Haag om daar als afgevaardigde de belangen van het gebied van Nijmegen waar te gaan nemen. Hij werd daarna ook nog Hollands ambassadeur te Londen. Hij trouwde trouwens met een Engelse dame, een zekere Anna Whittingham. In het jaar 1783 trachtte hij om opnieuw tot gezant in Lonen te worden benoemd, maar die poging strandde. Op het einde van zijn loopbaan sleepte hij de ereprijs in de wacht. Hij werd in 1806 landscommandeur van de Duitse orde van de balije Utrecht. Was hij alerter geweest en had hij zijn eigenbelang niet voorop gezet, dan waren vele mensen gered uit de klauwen van de hardvochtige Staatse overheid. Hij overleed op 15 juni 1807 in Londen op 82 jarige leeftijd.

**Uit de brieven die van Welderen aan de nieuwe landvoogd Pélerin doet toekomen blijkt hoe hij “van een afstand” over het z.g. bendewezen denkt:

d.d. 22 aug. 1775

“Je crois Monsieur, que les moyens que l’en pourrait mettre en oeuvre dès à présent seraient que M. le Drossard ne fit pas d’appréhension sans avoir préalablement obtenu de M.M. de Fauquemont un décret d’appréhension. Qu’un décret de torture ne soit accordé que sur des preuves les plus claires et qu’alors même en observe l’humanité, et que l’en n’en fasse pas une partie de plaisier, et que quand un criminel a supporté la torture, qu’on ne l’y applique pas de  reprise sans de nouveaux indices. J’ai trouvé tout le monde, surtout le prince d’Orange indigné de la barberie avec laquelle on procède contre ces malheureux.”

“Ik geloof Mijnheer, dat de maatregelen die men in werking zou kunnen stellen vanaf nu zouden zijn dat de Heer Drossard geen aanhouding verricht zonder vooraf van de Schepenen van Valkenburg een arrestatiebevel te hebben verkregen. Dat in een decreet tot tortuur slechts zal worden toegestemd op de meest duidelijke bewijzen en dat men zelfs dan de menselijkheid in acht zal houden, en dat men er geen vrolijk feestje van maakt, en dat wanneer een crimineel de tortuur heeft doorstaan, dat men niet tot een hervatting overgaat zonder nieuwe aanwijzingen. Ik heb gemerkt dat iedereen, vooral de Prins van Oranje, verontwaardigd is over de barbaarsheid waarmee men tegen deze ongelukkigen procedeert.

o-o-o-o-o-o-o


“Londres, le 7 Novembre 1775 … La première, qu’il me semble que l’on y exagère les crimes de ces gens. Quand j’ai été à Maestricht, tous les rapports qu’on m’a fait, comme vous savez, étoient qu’il n’y en avaient presque aucun crime commis sur le territoire de l’Etat, ni que les veuves et enfans fussent à charge aux habitants. …”

“Londen, 7 nov. 1775 … Ten eerste, dunkt me dat men de misdaden van die lieden overdrijft. Toen ik in Maastricht was, waren de verslagen die aan mij werden uitgebracht, zoals u weet, dat er bijna geen misdrijf bedreven was op het Staats gebied, evenmin dat de weduwen en wezen ten laste van de inwoners zouden komen. …”  

balije utrcht duitsche_huis_cover_home

De Balije te Utrecht waar Johan landscommandeur werd in 1806

Met dank aan John van Eekelen’s Bokkenrijders site en RHCL Maastricht

 

 

 

Advertenties