Frans Brouwers

Brouwers die de bijnaam “ Panhuys” droeg, trouwde in 1773 met de in 1752 geboren Maria Gertrudis Wanten, een dochter van Joannes Wanten, alias de “ Gardenier”. Hij was oorspronkelijk afkomstig uit Stein, maar had zijn heil in Elsloo gezocht. Tijdens hun eerste huwelijksjaar kregen ze een kind, zoon Johan. Nadat hem geruchten bereikt hadden dat hij door het gerecht aangemerkt zou worden als verdachte, vluchtte Frans naar voor hem veiliger streken. Hij werd op 14 november bij verstek veroordeeld tot eeuwige verbanning.

Caspar Googel

De rond 1712 geboren man was afkomstig van en woonde in het op de linker Maasoever gelegen Rekem, waar het geslacht d’Aspremont-Lynden vanaf 1590 tot aan de inval van de Fransen in 1794 als een soort koningen heersten. Het miniatuur vorstendom had een eigen munt en een eigen rechtspraak, en de familie Googel behoorde er tot de meer vooraanstaande families. Dat kon wel eens helpen. Caspar had het beroep van gerechtsbode uitgeoefend, was daarna schoenmaker geworden, in die tijd een maatschappelijke degradatie, om uiteindelijk door allerlei oorzaken aan lager wal te raken. Hij bezocht regelmatig de andere Maasoever om daar zijn zaakjes af te handelen. Door deze bezigheden was hij al in het jaar 1762 in problemen gekomen met justitie. Toen hij in de herfst van 1774 door een aantal inwoners van Elsloo beticht werd van deelname aan het bendewezen, bleek dat hij al een oude bekende van de politie was. Hij werd op de 25ste oktober met zijn beschuldigers geconfronteerd. Deze bleven bij hun eerdere verklaringen, hetgeen voor aanklager drossaard Burin van de rechtbank in Maastricht als afdoende bewijs gold voor mans criminele handelen.

kasteel Chateau_de_Reckheim

Het kasteel van Rekem

Uit het vonnis blijkt dat men goed op de hoogte was van de zaken die zich rondom deze persoon 12 jaar eerder hadden afgespeeld. “Inventaris aan ons overgebrogt ende gefoourneerd, waeruijt is blijkende dat den Gedetineerde hiervoorens een zeer Suspect Levensaard gevoerd hebbende, deswegens ingevolge Dispositie van den 10. april 1762 door Heeren Schepenen der voornoemde Graefschap Reickheim in Detentie is worden gesteld, en uijt des sijne Detentie op vrijen voet door Speciale gratie van Sijn Hoog Graaffelijcke Excellentie Jean Gobert Graave van Aspremont des Heijligen Roomsch Rijck Regeerende Graave van Reickheim etc. etc. etc., de dato den 19 november 1762, ons gebleekene is worden hersteld. En in vrijheijd wesende, in plaatze van zig te beteren en van Levens aard te veranderen, door voorz. Marten Mulkens en Jan Wanten onlangs geexecuteerdens tot Elsloo geaccuseerd is worden te gehooren onder de Berugde Bende Gauwdieven en Nachtroovers in de omleggende plaatsen ontdeckt en aan Diefstallen door dezelve Bende begaan, Plichtig te staan, -Gelijk nog verders van den geexecuteerde Herman Vrancken bij deszelfs gedaane Responsiven met opgevolgde Recollectie, almede betigt word aan voorzegde Diefstallen Plichtig te staan”.

De rechtbank in Maastricht had natuurlijk via de Rekemse drossaard Burin alle informatie rondom Googel ontvangen. Bovendien bekende hij op 27 oktober 1774 geheel vrijwillig zijn “misdaden”. Zo zou hij “drijmaal brandhoud gestoolen te hebben aan de Panne Backerije tot Reickheim, gelijck ook eenen Pattacon ten Huijze de Wintmolen aldaar, en zes Schellingen bij zekeren Gerret aan de kerk te Boorsem, als mede eenig Leder tot Mechelen op de Maas bij zekeren Henricus, gelijk ook uijt het veld dikwils aardappelen en Raepen gestoolen te hebben.”

Deze “gruwelijke euveldaden” gingen volgens de overheid tegen de wetten van het land in en konden onmogelijk getolereerd worden. Het vonnis hield in dat de rechtbank, nadat ze op alles gelet hadden waarop ze maar konden letten, Caspar veroordeelden om in Rekem voor een “behandeling” in handen van de beul gegeven te worden. Hij zou met 12 roeden ( 12 slagen voor elke roede) geslagen worden, daarna gebrandmerkt worden en voor altijd uit het graafschap Rekem moeten verdwijnen. Zou hij het wagen om ooit nog terug te keren, dan “zou hij zwaarder aan den lijve gestraft worden”!!

Na tussenkomst van de graaf van Rekem die de familie goed kende, werd het Maastrichtse vonnis op 9 januari 1775 omgezet naar een voor de familie van Googel minder belastende en eervollere straf. Caspar werd veroordeeld tot 20 jaar opsluiting in het “hospitaal” van St.Joris te Luik. Of de gestrafte hier wel zo blij mee was, is een groot vraagteken. Het was geen ziekenhuis maar een strafgesticht met strenge regels, waar je een verblijf van 20 jaar niet overleefde. Waarschijnlijk was zijn verbanning voor hem persoonlijk een betere optie geweest.

Bron: RHCL Maastricht

 

Advertenties