Eerst de ballotagecommissie

De Landen van Valkenburg, ’s-Hertogenrade en Daalhem, hadden in die tijd een eigen bestuur, de Staten genoemd,  waarvan enkel mensen van adel deel uit konden maken. De voorzitter van een dergelijk college werd in het gebied van Valkenburg landvoogd  genoemd. In de andere twee delen heette hij “´s-lands drossaart”! Al deze mannen lieten hun ambt door anderen uitvoeren die de naam luitenant-voogd of luitenant -drossaard voerden. Het aantal edelen in een college hing af van diegenen die “riddermatig” genoemd konden worden. Om aan die kwalificatie te voldoen moesten ze een riddermatige hofstede bezitten en 6000 gulden aan vaste goederen, hetzij in Oostenrijks, Staats gebied of in de Landen van Overmaze zelf. Deze edelen waren verplicht bewijzen van “degelijke” adellijke afstamming te overleggen die door  de Hoge Heren in Den Haag goedgekeurd moesten worden, en waren eveneens verplicht om een eed van trouw aan de Staatse overheid af te leggen.

In het jaar 1778 waren alle tot de ridderschap behorende edelen in de drie bovenvermelde landen aanhangers van de roomse religie, dit in tegenstelling tot een vrijwel volledig gereformeerde protestantse overheid. Een tweede bestuurslaag die we in het college aantreffen werd gevormd door de z.g. gecommitteerden, vier voor Valkenburg, drie voor ’s-Hertogenrade en zes voor Daalhem. Al deze personen werden geacht de protestantse godsdienst aan te hangen. Ook alle leden van de plaatselijke rechtbanken, zoals schouten, schepenen en secretarissen “moesten van den Protestantschen godsdienst”zijn. De drie colleges vergaderden tijdens z.g. Landdagen, die door de voogd of de drossaard uitgeschreven werden en die “gemeenlyk binnen Maastricht gehouden werden”, waar overigens de meeste van deze bestuurlijk belangrijke personen hun domicilie hebben. Ze hoefden dan nauwelijks de deur uit, en konden genieten van alle comfort die de stad te bieden had.

Wonen waar men werkte

Aan deze situatie werd echter via een resolutie  van 2 mei 1777 een einde gemaakt. Het zoete leventje in de stad op afstand van het echte handwerk, zou verboden gaan worden. Vanaf die datum zouden de nieuw aangestelde luitenant-voogden, drossaards en andere hogere ambtenaren ten platte lande verplicht worden te gaan wonen in het gebied van hun eigen jurisdictie. Op deze Landdagen werd voornamelijk gekibbeld over de bedragen die deze landen aan de Hoge Heren in Den Haag moesten verstrekken overeenkomstig een door Den Haag in 1666 opgestelde lijst. Overigens mochten de drie landen geen nieuwe belastingen aan hun onderdanen opleggen zonder goedkeuring van de centrale overheid, behalve in het geval van een plotseling dreigende oorlog. Aan het eind van een landdag werden uit dit college drie commissarissen benoemd, twee uit de ridderschap,en  een uit de drie Hoofdbanken, die als een soort gedeputeerden de ter vergadering genomen besluiten ten uitvoer  brachten en er tijdens de eerstvolgende landdag over rapporteerden.

’t Gros is rooms

Over de staat van de religie in deze drie landen vertelde Bachiene het volgende: “ ‘t gros der inwooners is net zoals in de andere Generaliteits Landen van den Roomschen Godsdienst , zo verre zelfs dat ten platten lande in sommige dorpen volstrektelyk geen andere dan lieden van deze godsdienst zich bevinden”. Deze staan ten aanzien van het Geestelijk Rechtsgebied onder de bisschop van Luik of onder de bisschop van Rhoermonde”!  De rivier de Geul zorgde in de praktijk voor de afbakening van deze “geestelijke rechtsgebieden”. Een beetje erg zuur vermeldt Bachiene dat  “het Licht der Hervorming in deze landen toch ook vroeg had begonnen op te gaan , maar door de Spaanse regering in zijn voortgang aanmerkelijk benadeeld was”.  Volgens hem ontdekte men na de innames van Maastricht en de stad Limbourg door de Staten in 1632, dat er in de meeste dorpen van Overmaze “ enige Belydere der Hervormde leere zich door de vreeze der vervolgingen lang hadden schuil gehouden”.  Twee direct door de overheid aangestelde predikanten die dit bemerkten, verzochten de overheid om in die plaatsen waar “een genoegzaam aantal protestanten aanwezig was om een gemeente te kunnen vormen, voorzien zouden worden van bekwame leraren ter bevordering van dit heilzame werk”. ( lees de invoering van de gereformeerde staatsreligie)! Een drietal predikanten uit Maastricht en de stad Limbourg kreeg opdracht om de “toestand” in de gemeenten op het platteland te onderzoeken en de plaatsen waar “leeraren”nodig waren aan de overheid door te geven, hetgeen ook met grote voortvarendheid gebeurde. Korte tijd later al, werden een aantal predikanten in deze gemeenten beroepen ten einde “de godsdienst in de Nederduitsche, Hoogduitsche en Franse taal te verrichten”. Toen in 1635 de stad Limbourg weer in Spaans bezit geraakte, en Spaanse soldaten de wijde omgeving onveilig maakten, werden de predikanten genoodzaakt het gebied van de drie Landen van Overmaze en Limbourg te verlaten, waardoor er effectief alleen protestantse “leeraren” overbleven in Maastricht en Wilderen, behorend tot het graafschap Vroenhove. Een tiental jaren later zou deze situatie weer compleet veranderen.

Jo Vromen naar W.A.Bachiene

Bron: ds.W.A.Bachiene

 

Advertenties