Een kloosterkerk als opslag voor kruit

Het oudst bekende arsenaal of het wapenhuis dat in het jaar 1602 gebouwd was, stond aan het begin van de St.Pietersstraat, en was gehuisvest in de voormalige kerk van de Franciscaner monniken die men in de stad ook wel minderbroeders noemde. Deze geestelijken waren in het jaar 1638 de stad uit gedreven omdat ze mede schuldig geacht werden aan het z.g. “verraad van Maastricht”. Toen Bachiene er in 1778 een kijkje nam, had een kommies de leiding in dit gebouw en als hulpje stond hem een z.g. onder-kommies ter beschikking. Het kloostergebouw van deze paters dat zich naast en achter de kerk bevond, werd in 1673 na de Franse inval tot militair hospitaal getransformeerd, hetgeen nog steeds de situatie was in het jaar 1778. In dit hospitaal hadden een aantal mensen de leiding: een ontvanger, een dokter in de medicijnen, een chirurgijn, een apotheker, en een hospitaal meester. Vlakbij het hospitaal bevond zich eerst het z.g. Pesthuis, dat in het jaar 1778 als hout-en kolenmagazijn dienst deed. Daar bevonden zich ook de noodzakelijke brandstoffen voor het krijgsvolk in de barakken en de wachthuizen.

De stad Maastricht kende verschillende kruitmagazijnen waarvan sommigen onder de stadsmuren lagen en anderen daar vlakbij in de open lucht gepositioneerd waren. Deze magazijnen bevonden zich onder meer bij de Boschpoort, bij de batterij Klein-Oranje, en achter het hospitaal. Deze laatste opslagplaats werd in bedrijf genomen als vervanging voor een op 21 dec.1761 in de lucht gevlogen magazijn. Verder waren er nog magazijnen in o.a. Wijck in de buurt van de St.Maartenskerk.  Bij deze laatstgenoemde plek lag tot het jaar 1868 de Kruittoren. Aan de Tongersestraat  lagen twee kruithuisen, “het kruithuis aan de Bleekhof”, en het in 1692 gebouwde magazijn dat ingegraven was in de Tongerse kat. Eveneens waren er nog opslagplaatsen bij Hoog-Frankrijk , het Faliezusterspark  en de Bourgognestraat in Wijck. De kruitmagazijnen waren opgetrokken in dikke muren met een niet al te zwaar dak, zodat in het geval van een ontploffing de druk naar boven kon wegvloeien

Gevaarlijke plekken in een kwetsbare stad

Soms maakte de overheid gebruik van reeds aanwezige gebouwen en richtte die in als opslagplaats voor hun explosieven. Zo werd de Hilariuskapel in de St.Pietersstraat het midden van de 17e eeuw tijdelijk in gebruik genomen als kruithuis, en diende de nu nog bestaande Helpoort van 1670 tot 1846 als kruithuis onder de naam “Cruyttoren”. Ook de gevangenpoort op de Markt  deed gedurende een langere periode dienst als kruithuis. Het kruithuis achter de O.L.Vrouwepoort vloog in 1696 de lucht in en daarbij werden een aantal soldaten gewond. Het zwaarste ongeluk gebeurde in de nacht van 20 op 21 december 1761, toen het de kruitopslag in het bastion Brandenburg gevuld met 36.000 pond buskruit de lucht in vloog, waarbij 21 mensen het leven lieten. De ontploffing sloeg een gat van 40 meter breed in de stadsmuur en veroorzaakte en krater van 10 meter diep.

Kruit (salpeter)werd in de onmiddellijke omgeving gemaakt. Kruit betrekken van ver afgelegen plekken was uit den boze, de kans op ongelukken onderweg was veel te groot. Er lagen daarom verschillende watermolens op de rivier de Jeker, die kruit maalden. Vlak bij de huidige Nieuwenhofstraat lag een kruitmolen die in 1516 verhuurd werd aan Hendrik Noetstock. Dertig jaar later kreeg salpeterproducent Gerrit van Mets permissie om een kruitmolen te plaatsen bij waterpoort de Reek, gelegen buiten de stadsmuur. Op de 15e juni van het jaar 1733 ontplofte de in de Nieuwstad gelegen kruitmolen die bij deplek “h et Ancker”  lag. De stad ontsnapte toen aan een ware ramp, omdat de ontploffing kortbij de kruitopslag in de reeds voormelde “Cruyttoren”in de Helpoort gebeurde.

kruit mag mstsr

Ontploffing in 1761

Bron: W.A.Bachiene en Historische Encyclopedie Maastricht van Ubachs/Evers.

Advertenties