Uit de brochure: Haar geschiedenis, haar pachters en een familiestamboom

Door J.J.Vromen en Paul Vromen

 Een historische en geografische schets van ten Esschen en omgeving

 Het zuiden van Limburg is geologisch gezien de noordelijke uitloper van de middengebergten in de Eifel en de Ardennen. Voor de tektonische opheffing van dit gebied was Zuid-Limburg een schiervlakte: een gebied dat door erosie vrijwel volledig was afgevlakt. Door de opheffing, een paar miljoen jaar geleden, konden de Maas en ook haar zijrivieren zich in fasen in deze schiervlakte insnijden. Het reliëf in onze streken is dan ook in die lange periode ontstaan. De Geleenbeek, die te Benzenrade ontspringt en in Stevensweert in de Maas uitmondt, behoort ook tot deze beken. De Retersbeek en de Luiperbeek (monding in Weustenrade), zijn zijbeken van de Geleenbeek. Tussen de dalen, treffen we dan ook de vele plateaus aan die kenmerkend zijn voor ons landschap. Ten Esschen ligt op een dergelijk, zij het kleiner plateau, zeer zeker gezien vanuit de regio Voerendaal en Swier. Wanneer hier de eerste bewoners zijn neergestreken is niet bekend. Maar er is al sinds een periode van 7000 jaar sprake van continue bewoning in Zuid- Limburg, en waarom niet in de Essensche regio! De favoriete eerste vestigingsplaatsen van onze voorouders in die tijd waren dan ook de hoogtes aan de randen van het Maasdal en de beekdalen, waar men immers kon beschikken over water en graslanden. Die waren in overvloed aanwezig.

In de IJzertijd en de Romeinse tijd is het in cultuur brengen van de beekdalen verder voortgeschreden. De plateaus echter, waren in deze tijdsspanne nog veelal maagdelijk bebost. Onze vrienden uit Italië echter maakten een begin met het ontginnen van de hoogtes en stichtten ook grotere boerenbedrijven, de z.g. villa’s. Deze zorgden ervoor dat met de oogst van de landerijen de omgeving en de eigen legergarnizoenen van voedsel voorzien konden worden. Er bevonden zich belangrijke Romeinse nederzettingen in Maastricht en Heerlen die baat hadden bij een goed wegennet. Plaatsen waar mensen hun nederzettingen vestigden, lagen steeds aan de kruising van wegen. Zo lag Heerlen (Coriovallum), op de kruising van de verbindingswegen Xanten-Keulen en Boulogne-Keulen. We moeten zeer zeker niet denken dat de Romeinen enkel en alleen zorgden voor verbindingswegen. Tussen elke nederzetting en tussen elk gehucht zullen lokale bewoners steeds verbindingspaden gemaakt hebben, die ervoor zorgden dat men makkelijker van de ene plaats naar de andere kon gaan. De twee in Zuid-Limburg gevonden wegen dateren uit de tijd van Constantijn de Grote, (310-315), en representeren de laatste periode in het toenmalige wegenonderhoud. Ten Esschen lag ook aan een oude handelsweg die van Maastricht naar Geilenkirchen liep. Overigens staat Heerlen op de door de geleerde en monnik Konrad Peutinger (1465-1547) vervaardigde kaart, vermeld als Cortovallio, hetgeen volgens de huidige stand van zaken de juiste naam zou zijn. De betekenis van de naam is dan, “versterkte hof”. Rond het midden van de derde eeuw bereikt het aantal inwoners in onze regio het grootste aantal. Daarna neemt het snel af, mede veroorzaakt door de ineenstorting van het Romeinse rijk in politiek militair en economisch opzicht. In de dalen bleef de bewoning deels overeind, maar de grote villa rustica’s die eens van voorspoed getuigden, werden deels verlaten.

In Voerendaal kon villa Ten Hove zich wel redden in het crisisgewoel. In de loop van de vijfde eeuw naam de invloed van het tanende Romeinse imperium steeds meer af. Het gebied in kwestie bleef bevolkt, maar over heel Zuid-Limburg bezien, nam de bevolking af. De plateaus werden verlaten, waarna na de Romeinse tijd de bebossing op die plekken begrijpelijkerwijs weer toenam. Rond het jaar 700 daalde het aantal inwoners in het zuiden van onze provincie tot een dieptepunt. Daarna was er sprake van een gestage stijging van het inwoneraantal, een trend die zich een kleine honderd jaar voortzette. De plateaus waren nu niet direct de favoriete plaatsen meer om zich te vestigen. Dat gebeurde nu juist in de rivier- en beekdalen. Voorbeelden daarvan zijn de dorpen Geulle en Stein, maar ook Meerssen, Geulhem en Epen. De beekdalen herbergden immers de grote uitgestrekte eigendommen van de Merovingische en Karolingische vorsten. Daar loonde het zich ook om er te wonen, want vooralle economische activiteiten die er plaats hadden waren mensen nodig. Meerssen was in het midden van de tiende eeuw een groot rijksdomein met een oppervlakte van 968 ha. Al vanaf de vroege middeleeuwen werd het grondgebied in het zuiden verdeeld tussen de hertogen van Brabant, Gelre en Gulik, en de prins-bisschoppen van Luik en Keulen. Deze twee laatstgenoemden waren onderhorig aan de Keizer van het Grote Roomse Rijk. Ze gedroegen zich niet altijd als goede “half wereldse-half religieuze” vrienden, maar als machtswellustelingen, hetgeen tot felle conflicten en onvermijdelijke opdeling van het bezit leidde.  Het rijksgoed slonk allengs, doordat het soms uit pure nood als leengoed aan pachters (leenmannen) werd uitgegeven. Op deze wijze kwam er geld binnen om een vaak luxueus en verkwistend leven te bekostigen. Uit strategische overwegingen werd het rijksgoed ook gebruikt om kloosters een machtsbasis te verlenen. Op hun beurt waren deze katholieke bastions weer trouwe partners van de heren machthebbers.

In deze periode speelde het hofstelsel een belangrijke rol als economisch organisatiemodel. De hof was het epicentrum van het  bestuurlijke en economische reilen en zeilen. De hof was ook de woonplek van de heer of van zijn plaatsvervanger. In zijn algemeenheid kun je stellen dat het land opgesplitst werd in twee units. Het domein- of vroonland werd bewerkt ten faveure van de heer. Het andere deel diende de van hem afhankelijke boeren oftewel pachters. Dat waren zijn horigen, die op dat land voor eigen rekening konden werken. De Benzenraderhof in Benzenrade zou een voorbeeld kunnen zijn van een hof die past binnen het hofstelsel. Al in 1281 wordt hier een zekere Bercholphus van Bensenrade genoemd. In de 14e eeuw wordt Reyner van den Esschen als leenman van het goed genoemd. Vanaf die centrale plek, zal de nederzetting zich waarschijnlijk verder ontwikkeld hebben.

Hoeve Ten Esschen 1942

Huize ten Esschen in oorlogstijd, 1942. Mijn tante Miet was de de zaak aan het aanvegen.

Advertenties