De politieke verhoudingen vanaf de elfde eeuw tot aan de Franse tijd

Na het verdwijnen van de Romeinen uit de Heerlense omstreken duurde het een lange tijd, alvorens onze streken weer in een document genoemd werd. In het Land van Herle uit mei- juni 1952 vermeldt dr. F.Senden C.I.C.M. een akte uit 1065, waarin Udo, bisschop van Toul in Frankrijk, uit zijn eigen patrimoinum het allodium Herle aan zijn kerk ten geschenke geeft.

Behalve dat gaf hij ook nog een deel van de gelden af, die hij ontving uit de inkomsten die de kerken binnen dit allodium ontvingen. Een allodium is een bezit waarover het eigendomsrecht vrijwel absoluut is, en nauwelijks onderhevig is aan wetten of regels. De akte noemt een Andreaskapel te Heerlen. Het is niet meer te achterhalen waar ze gestaan heeft, of wanneer ze gesticht is. Er staat wel dat de kapel behoorde tot de moederkerk (de Laurentiuskerk) van Voerendaal. Die werd in 1049 door Paus Leo IX ingewijd, en dat maakt duidelijk dat de kapel toen al bestond. Leo IX bevond zich op 27 juli 1049 overigens te Aken, op korte afstand slechts van Voerendaal. Hij verbleef een maandje eerder, van 25 juni tot vijf juli in Keulen, als gast van keizer Hendrik IV. Tijdens zijn reis zegende hij meerdere kerken in, zo ook die van zijn goede vriend Udo van Toul te Voerendaal.

Het Heerlense gebied hoorde verder tot 1244 als domeingoed toe aan de graven van Ahr- Hochstaden uit de Eifel. In de “Annales Rodenses” wordt Heerlen in 1121 aangemerkt als “proprium”, het bezit van graaf Theodorich van Are. In het jaar 1087 vinden we de naam van Are voor het eerst terug. Bisschop Udo van Toul behoorde ook tot het geslacht van Are.

Theodorich wordt zelfs vermeld als “Theodoricus de Herlar”. Theodorich had zijn allodia in Heerlen en Steinfeld van zijn oom Udo gekregen. Hij was de eerste uit het geslacht die van keizer Hendrik IV de titel graaf van Are mocht voeren. Theodorich en zijn zonen waren ook de initiatiefnemers van de bouw van de Pancratiuskerk in Heerlen. Lotharius, de oudste van zijn zes zonen, erfde het graafschap en de titel. In de oorkonden is hij terug te vinden als “comes”, hetgeen graaf betekent. Eind twaalfde eeuw kwam het allodium Heerlen in handen van de van Hochstadens, altijd al de machtigste partij. Lotharius de Tweede, graaf van Hochstaden raakte met zijn zoon Theodorich betrokken bij een gewapend conflict dat zijn broer Koenraad van Hochstaden, de aartsbisschop van Keulen had met hertog Henrik de Tweede van Brabant. Hendrik moet toen volgens Jan van Heelu in zijn “Rymkroniek” het castrum of fort Heerlen verwoest hebben, “dat hij Herle brac”! De hertog van Brabant, ook wel de Edelmoedige van Brabant genoemd, wist in 1239 tijdens de gevechtshandelingen Heerlen in zijn bezit te krijgen. Na het vredesverdrag van Roermond op 23 februari 1244 dreigde er een grote opdeling van de bezittingen van de graven te ontstaan. Bij een schenking in 1246 werden alle bezitingen door graaf Frederik overgedragen aan de kerk van Keulen. Per saldo betekende dat het einde van de politieke en militaire rol van het geslacht Are-Hochstaden. In deze streek werden de hertogen van Brabant en de heren van Valkenburg de nieuwe bazen. Om de Keurkeulse en Wickrathse goederen te kunnen beheren, werden er leenhoven opgericht.

Heerlen komt aan Brabant

In 1378 werden de rechten van Heerlen, die toen in handen waren van de heer van Wickrade, overgedragen aan Wenceslaus, de hertog van Brabant. Na de overname werd Heerlen bestuurd door een schout, die administratieve, rechterlijke en financiële bevoegdheden bezat. Hij werd als ambtenaar benoemd door de hertog, maar was natuurlijk van een lagere sociale klasse dan een ridder. Rond het jaar 1500 maakte Heerlen als hoofdschepenbank deel uit van het Land van Valkenburg. De zestiende en zeventiende eeuw werden tot grote periodes van voortdurende machtswisselingen. De vrede van Munster in 1648 leverde nog geen echte periode van rust en vrede op voor het gebied. De toestand bleef chaotisch, waarbij rondtrekkende en plunderende soldaten van verschillende partijen een destructieve rol speelden. In 1661 werd Heerlen ten gevolge van het Partage-Tractaat definitief Staats. Heerlen werd geregeerd vanuit Den Haag, als onderdeel van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het ommeland, met plaatsen zoals Oirsbeek, Schaesberg en Brunssum werd Spaans bezit.

In 1672 verovert het Franse leger Heerlen. In 1678 komt er weer een einde aan het Franse avontuur. Na hun vertrek valt Heerlen wederom onder Staats gezag, hetgeen duurt tot 1793, toen de Fransen opnieuw de verleiding niet konden weerstaan om ons op te zoeken! In 1795 wordt Zuid-Limburg onderdeel van het departement Nedermaas ,” La Meuse Inferieure”,waardoor Heerlen onder het kanton Valkenburg komt te vallen. Op drie maart 1796 worden Heerlen, Voerendaal, Nieuwenhagen en Schaesberg hiervan afgescheiden en vormen voortaan samen het kanton Heerlen.

Advertenties