Aartshertogin Maria Elisabeth op doorreis door het Staatse Land van Valkenburg in 1725

 Deze gouvernante van de Oostenrijkse Nederlanden en zus van Karel VI wilde met haar gevolg het Limburgse (Staatse) land doorkruisen op een reis naar haar bestuurscentrum te  Brussel in oktober 1725. De Staten-Generaal was uiteraard zo aardig om aan haar verzoek om beveiliging medewerking te verlenen. Ze gingen hierin zelfs nog een stap verder dan strikt noodzakelijk was. In een besluit van 14 september 1725 bepaalden ze zelfs aan dat de schatbewaarder van de aartshertogin niet zelf de kosten hoefde te voldoen voor het traject van Maastricht naar Tongeren, de route die in eerste aanleg alleen maar door de Staten beveiligd hoefde te worden. De Staten zouden echter deze onderneming volledig gaan vergoeden, onder het motto “je kunt beter je verre rijke netwerk belonen, dan voor je eigen volk zorgen”! Klinkt heden ten dage ook niet vreemd in de oren. Men maakte er zelfs nog meer werk van. De gouverneur van Maastricht kreeg opdracht om de landvoogdes met vlag en wimpel en alle beschikbare toeters en bellen te ontvangen, “ met hare Hooge geboorte en rang overeenkomende”.

Volk draait op voor grillen overheden

De magistraat te Maastricht moest haar passage dan ook op alle mogelijke manieren faciliteren, en bij een besluit van 24 september 1725 werd de bevolking van de drie Landen van Overmaas opgeroepen hiertoe mensen en paarden ter beschikking te stellen. In totaal verplichtte de overheid boeren en anderen om 600 paarden en 300 man ter beschikking te stellen, die zich allen in Maastricht moesten verzamelen. Aan deze gigantische facilitering droegen ook nog alle banken die in het bezit waren van het St.Servaas kapittel en het graafschap Vroenhoven hun steentje bij. Deze “uitnodiging” was niet geheel vrijblijvend. Als iemand zijn door het bestuur bepaalde aantal mensen of paarden niet zou leveren, kreeg hij een boete van zestien goudgulden, en het benodigde paard dat dan elders gehaald moest worden kwam ook voor rekening van de nalatige betrokkene. Ook de Hoofdbank Heerlen ontsnapte niet aan het leveren van mannen en paarden.

Hoeve ten Esschen moest ook een aandeel leveren

Het halve Leen Ten Esschen moest “eenen knegt en een peerd leveren”. De uiteindelijke, reeds eerder door het Land van Overmaze bijgestelde rekening,  werd naar Den Haag gezonden en bedroeg f.3.177 en vijftien stuivers, voorwaar een mooi bedrag om een rijke Oostenrijkse dame op serviele wijze te gerieven. Dit bedrag werd echter niet geaccepteerd door de zuinige rekenmeesters van de daar residerende Rekenkamer. In een schrijven van juni 1726 reduceerden deze zure azijnbeambten het gedeclareerde bedrag tot f 2742.13.0. Uit het overzicht blijkt dat zelfs de dagvergoeding voor Graaf Hoensbroek-Geul als commissaris verlaagd was naar tien gulden per dag voor acht dagen. Eerder stond hij genoteerd voor een bedrag van honderdvijftig gulden voor zes dagen. Tja, dat was een tegenvaller voor de graaf, die nu moest bezien hoe hij dit verlies weer kon goedmaken. Nooit had hij kunnen dromen dat hij voor reductie in aanmerking zou komen!!

Maria kwam ondertussen op tijd te Brussel aan en werd bij haar intrede als een godin ontvangen, zie bij geleverde prent. Zij kreeg de stadssleutels aangeboden en twee slaafjesunnamed

hielden haar immens lange jurk omhoog. De trompetten schalden, de kanonnen daverden en iedereen kreeg pijn in zijn knieën van het buigen. Verder stond er een hele hofhouding klaar om madam te gerieven.

J.Vromen

 

 

 

 

Advertenties