Het Land van ’s-Hertogenrade volgens ds.Bachiene rond 1780

Dan weer Hollands, dan weer Spaans……

Dit tot de Landen van Overmaze behorende gebied was in die tijd qua oppervlakte kleiner dan het Land van Vallenburg.

limburg landen ovrmaas

Het land was in het verre verleden eigendom geweest van de Hertogen van Limburg. Daar kwam in 1288 verandering in, toen Hertog Jan1 van Brabant zich na de Slag bij Woerden het hertogdom Limburg en de Heerlijkheid ’s-Hertogenrade toe eigende. Het gebied zou daarna lange tijd in Brabants bezit blijven. We moeten echter voor de jaren 1544-1609 een uitzondering maken. In die tijd bezat de hertog van Gulik  het Land van ’s-Hertogenrade. Maar toen in 1609 de laatste hertog uit dit Huis overleed, kwam het weer bij Brabant en de facto dus onder de heerschappij van de Koning van Spanje. Toen in het jaar 1661 de gehele landstreek in twee delen werd opgesplitst, ging een part naar de Staten en een ander deel naar Spanje. Toen Bachiene zijn visie op deze streek opschreef, was het Land van ’s-Hertogenrade weer in Oostenrijkse handen beland. Na de vrede van Munster in 1648 was het gebied eerst in Staatse handen gekomen, maar vanaf 1661 werd het samen met de dorpen Merkstein, Kerkrade, Simpelveld en Ubach, op grond van het Paratage Tractaat weer Spaans territorium. Het Staats deel werd rond 1780 door de Vrije Rijksgraafschap Wittem gescheiden van het Oostenrijkse Land van ’s-Hertogenrade. In het Staatse deel kende men ook de “Landstenden of de Staten”, met aan het hoofd een hoog-drossaard. Dit college kwam meestal in Gulpen voor hun zittingen bij elkaar. Rond de tijd van Bachiene werd deze functie vervuld door Heer Karel Grave van Bentinck, die daarnaast nog een aantal andere belangrijke posities bekleedde, zoals het Hoogdrossaardschap in het Land van Daalhem. Veelkunner en veelvreter dus! Iemand die zijn benoeming te danken had aan zijn adellijke status.

Deze man die dezelfde status had als zijn evenknie in het Land van Valkenburg, liet zich echter ook vervangen door een luitenant-drossaard. Overigens was in ’s-Hertogenrade maar een “riddermatig” edelman toegelaten tot de Staten, in dit geval de Heer van Gulpen en Margraten. Het Land van ’s-Hertogenrade bezat drie hoofdbanken, Gulpen, Margraten en de Verenigde Banken van Vaals, Holset en Vijlen. Elk van deze drie banken kende een hoofdschout die geassisteerd werd door zeven schepenen en een secretaris, waarvan de schepenen en de secretaris aangesteld werden door de Hoogschout. Het Land kende ook een Leenhof waarin de hoogschout of zijn “substituut’ het voorzitterschap bekleedde, en de overige leden gevormd werden door zeven leenmannen en een griffier. Dit instituut hield zich enkel bezig met zaken die de lenen betrof.

De Hoogheerlijkheid Gulpen-Margraten

De banken Gulpen en Margraten bezaten zowel in civiele als in criminele zaken een eigen jurisdictie waarbij een schout namens de Heer van het gebied “presideerde”. Volgens Bachiene zou koning Filips IV deze Hoogheerlijkheid met de haar toebehorende onderhorige buurtschappen op 16 augustus 1630 voor 9.800 gulden Brabants verkocht hebben, waarna het gebied meerdere malen van eigenaar was gewisseld. Het werd eens bezeten door het adellijk geslacht Einatten (van der Nat) die uit de oostelijke regio van het hertogdom Limbourg stamden, en ook nog de Heerlijkheid Nuth in hun bezit hadden. Uiteindelijk verkocht Johan Filips van Einatten in het jaar 1717 het gebied aan de protestants-lutherse familie van Clermont uit Aken. Zij waren door hun in de lakenhandel verdiend kapitaal daartoe zonder meer in staat. Uiteindelijk werd het na nog enkele andere eigenaren gekend te hebben in 1770 door de Heer N. van Clermont verkocht aan de roomse baron Johan Francois de Hems.

De zich op een hoogte bevindende kerk van Gulpen die aan de laatste bisschop van Maastricht St.Hubertus was toegewijd, werd in de 80 jarige oorlog geheel verwoest en kon pas rond 1614 weer worden opgebouwd door Francois van Einatten, die toen Heer van Gulpen en Margraten was. Van Einatten en zijn vrouw werden beiden in deze kerk begraven, hetgeen blijkt een een grafsteen waarop ze aangeduid worden als, “ Heer en Vrouwe van Neuwerburgh, Etsweiler(1) , Gulpen en Margraten”. In de tijd van Bachiene werd deze kerk door beide religies gebruikt en werd de pastoor door de plaatselijke Heer benoemd. Het dorp Gulpen zou volgens hem al in de 13e eeuw genoemd worden in het kader van de twisten tussen Jan de Eerste van Brabant en Graaf Reinoud van Gelder. Beide mannen hadden twee keer op het punt gestaan, in 1282 en 1285, een veldslag tegen elkaar te beginnen, maar konden daar door “eenige scheidslieden” vanaf gehouden worden. Niet voor lang echter(2). “Margeraaten”, dat volgens Bachiene eigenlijk S.Mariengrad zou heten, had een predikant die er eens in de twee weken kwam prediken in de aan “S.Margriet” toegewijde kerk. De Heerlijkheid kende vele met overdadig geboomte omringde buurtschappen zoals, Peseken, Rimmerstok, Landstraat, Immer, Termaaren, Groot en Klein Welzen etc., (let op schrijfwijze). Bachiene beschreef het kasteel Kaarsfeld nabij Peseken als “aanmerkelijk”, en vertelde dat het een van de aanzienlijkste en riddermatige hofsteden was die toegang gaven tot de Banksvergadering van Gulpen. Het behoorde eens aan het adellijke geslacht van den Hove dat in de mannelijke lijn al uitgestorven was. De enig overgebleven dochter die de vermetelheid had gehad om in het huwelijk te treden met een man die vele schulden bezat ( niet ongebruikelijk bij de toenmalige adel), zorgde ervoor dat het goed door de Graaf van Loo, de Heer van Mheer, aan de Proosdij van Maastricht verkocht werd. Klaarblijkelijk wilde dit kapittel er ook snel vanaf, waarna een burger uit Maastricht, Willem Seberbach, eigenaar werd. Nadat deze rond 1750 overleed, ging het goed naar de huidige eigenaar, zijn zoon Hendrik Seberbach. Een andere ten noord-oosten van Gulpen gelegen Vrije Rijksheerlijkheid,  Cartiels, die niets met de Staten van Holland te maken had, was niet groter dan het kasteel en de daaraan verbonden boerenwoning. Dit kasteel had in het verleden wel eens voor problemen gezorgd, omdat z.g. “Heidens”die van stelen hun beroep gemaakt hadden, er een goede schuilplaats gekregen hadden. De slimmerds die ervan op de hoogte waren dat ze daar niet opgepakt konden worden, organiseerden van daaruit nachtelijke strooptochten in de tot Staats, Oostenrijks, of Rijks gebied behorende dorpen.

De Bank Holset-Vaals-Vylen

Deze uit drie dorpen bestaande Bank, werd door de Heerlijkheid Wittem van de Banken van Gulpen en Margraten gescheiden. In een ver verleden toen de Spanjaarden in deze streek de victorie kraaiden, 1626, werden de eerste twee dorpen verpand aan Adolf Bettholt voor het mooie bedrag van 3.700 gulden. Toen een paar decennia later de rollen omgekeerd waren en de Hollanders met opgeheven hoofd ronddoolden door het Limburgse land, losten deze zo snel mogelijk de pandsom af en kwamen de dorpen in Hollands bezit. De hoge justitie wordt namens Hunne Hooge Heeren in Den Haag waargenomen door de drossaard van ’s-Hertogenrade die ook in civiele zaken voorzitter was van het bestuur van deze Bank. Rond 1780 werd Vaals, waar ook het raadhuis stond, beschouwd als het voornaamste dorp in het gebied.

Het op een hoogte gelegen Vylen of Vielen, dat zich volgens Bachiene “allernaast by Gulpen” bevond, had een aan S.Maarten toegewijde kerk die als een van de oudste in de regio gold. De huizen lagen toen zeer verspreid in een vallei en het akkerbouwland dat in handen was van de abdis van Burscheid, zij kreeg hiervan de tienden, bevond zich ook grotendeels op de lager gelegen gronden. De abdis die op grond van haar inkomsten gehouden was de kerk te onderhouden, stelde ook een voogd en schepenen aan die tot taak hadden om al hetgeen de huizen en de daarbij horende landerijen aanging scherp in de gaten te houden. Eventuele conflicten in deze konden voor de Hoofdbank van Vaals gebracht worden en daar ook worden afgedaan. Tot grote spijt van Bachiene kon er maar een keer per jaar in Vylen door een predikant gepreekt worden. Debet hieraan waren de afgelegen ligging en de noodzaak om er over “vreemde bodem” te geraken. In Vylen was rond die tijd niemand van gereformeerde huize, of het moest de daar wonende schoolmeester zijn, die echter in Gulpen werkzaam was. Holzet dat ten oosten van Vylen lag, had eveneens een kerk die in roomse handen was. Het dorp Vaals vormde de grens tussen Staats en Akens Rijksgebied. Volgens Bachiene hadden de  Staten bewust Vaals tot hun territorium gemaakt om de gereformeerde gelovigen uit Aken de kans te geven hun religie in Vaals te belijden.

In Aken immers konden in het verleden de protestantse gelovigen die met de komst van Alva in 1567 naar de regio Aken gevlucht waren, met geen mogelijkheid hun godsdienst uitoefenen, maar dankzij de protectie van de Staatse overheid  werden ze toch nog enigermate beschermd. Na deze tijd verminderde hun aantal, maar de “lakenfabrikeurs en kooplieden in lakens, wolle, verfstoffen en al wat daartoe behoord, zyn noch heden de Ptrotestantchen Godsdienst toegedaan”, aldus Bachiene. Toen de Staten vanaf 1662 in het bezit van Vaals kwamen bouwden ze naast de bouwvallige roomse kerk een eigen nieuwe kerk die “ruim van begrip”was.  Men stelde ook onmiddellijk een predikant aan die niet alleen voor Vaals maar ook voor de Akense gemeente de “godsdienst verrichtte in de Hoogduitsche taal’. De predikant moest echter in Aken wonen omdat daar de meesten van zijn gelovigen verbleven, maar hij moest daar vooral niet pronken met zijn protestantse overtuiging. Naast deze Hoogduitse kerk kwamen er ook nog kerken voor de gereformeerden die de “Fransche godsdienst” aanhingen, voor de Lutheranen en de Doopsgezinden, waarvan de laatstgenoemden met de doopsgezinde gemeente van Maastricht verbonden waren. Vaals trok ook de Hoogduitse geloofsgenoten van Burscheid en Eupen aan, die er de Hoogduitse kerk bezochten. De “vlek Burscheid of Borchet” was in handen de abdis van het plaatselijke klooster en telde in de tijd van Bachiene 70 protestantse huisgezinnen. Omdat het de protestantse gelovigen niet toegestaan was hun geloof in Burscheid en Eupen te belijden, moesten ze uitwijken naar Vaals, hetgeen voor de mensen uit Eupen een moeilijke en kostbare onderneming was. Gelovigen die vanuit Aken naar Vaals trokken hadden in de jaren vanaf 1761 te maken met heel veel overlast en gevaar. Volgens Bachiene hadden zij te lijden onder verregaande mishandelingen van boeren uit het Akens Ryk. Deze overlast verdween gelukkig na een aantal jaren. Vaals werd in de periode daarna in de zomertijd druk bezocht door vreemdelingen die in Aken de baden en mineraalwateren gebruikten, maar omwille van hun geloof met paarden, koetsen of te voet naar het grensdorpje trokken om er hun geloof te uit te oefenen. Deze activiteiten voegden volgens Bachiene heel wat levendigheid toe en zorgden ervoor dat de vele herbergen propvol zaten. Sommige “lakenfabrikeurs” beperkten zich niet tot een regelmatig bezoek aan het dorp, maar vestigden zich in Vaals en zorgden ervoor dat heel wat inwoners een goed boterham konden verdienen. Een van de prominentste onder hun was de heer N.van Clermont die “er een voortreffelijk gebouw had neergezet met de nodige vertrekken tot die fabriek behoorende, ‘t welk aan dit dorp geen klein cieraad toebrengt”! Bachiene vermeldde ook nog het oude vervallen slot “Inrath”en de buurtschappen Wolfshagen, Limmiers en Mammelis.

J.Vromen naar W.A.Bachiene

1 Neubourg, Eschweiler

2 Butkens, Tropheés de Brabant, Livre IV.

Advertenties