W.A.Bachiene

Willem Albert Bachiene werd op 24 november 1712 in Leerdam geboren. Na de Hervormde Gemeente van Kuilenburg ruim twintig jaar gediend te hebben, vertrok Ds. Bachiene op 3 juni 1759 naar Maastricht, waar hij op 10 juni zijn intree deed in de Hervormde Kerk in Maastricht. In Maastricht trouwde hij op 28 december 1761 met Cornelia Duvergée, dochter van een kolonel van de infanterie. Ondanks de vele beslommeringen die het werk in een nieuwe gemeente nu eenmaal met zich mee bracht, werd de studie niet verwaarloosd. Bovendien kreeg hij er een nieuwe taak bij. Op 6 november 1764 aanvaardde hij het ambt van Ordinair Professor in de Astronomie en Geographie aan de Gereformeerde Illustre-School, die te Maastricht was gevestigd. Het docentencorps van de Ilustre-School werd voornamelijk gerecruteerd uit de plaatselijke predikanten, die daarvoor min of meer waren geselecteerd. Ds. Bachiene was hier geheel op zijn plaats. Hij was een buitengewoon belezen man. Door zijn grote belezenheid was hij goed thuis in de geografische wetenschap van zijn tijd. Vanaf zijn prille jeugd had hij zich voor aardrijkskunde geïnteresseerd. “Hij las er veel over en daardoor had hij reeds een tamelijke kennis van de ligging en grootte der Landen, van de Rivieren en Steeden verkreegen. Hij heeft vele publicaties op zijn naam heeft staan, waaronder  een “Beschrijving der Vereenigde Nederlanden in vijf delen”.

“Inboorlingen”als boosdoeners

Toen stadhouder Willem V in juni 1771 Maastricht bezocht, viel Ds. Bachiene de eer te beurt Zijne Doorluchtige Hoogheid namens de afgevaardigden der Classis van Maastricht en Landen van Over Maze toe te mogen spreken. In het hierboven vermelde reuzenwerk schonk hij vanuit het toenmalige historische, sociaal-maatschappelijke en bestuurlijke perspectief aandacht aan het bendewezen dat veel later in de 19e eeuw onder de sterk geromantiseerde benaming “Bokkenrijders” voor eeuwig deel uit zou gaan maken van het Limburgse geschiedkundige erfgoed. Volgens hem was het niet bijzonder vreemd dat in sommige gevallen hier verblijvende vreemdelingen zich verenigden in bendes van gauwdieven, die reizigers overvielen, huisbraken en moorden pleegden , maar dat er een bende ontstaan was die vrijwel volledig uit “inboorlingen“ uit de eigen landstreek bestond, was volgens deze man toch als zeer bijzonder aan te merken . De dominee was van mening dat er onder deze gauwdieven zelfs mensen waren die “zeer wel gegoed” waren, en die in geen geval door armoede gedwongen tot deze euveldaden hoefden te vervallen. Veel begrip spreekt er niet uit deze benadering, maar dat was gezien de tijdsgeest waarin een gereformeerde elite veelal de dienst uitmaakte ook niet mogelijk. Bachiene zal de informatie die hij ontving dan ook vooral uit zijn eigen “upper class” netwerk hebben verkregen, mensen die geen notie hadden van de zeer harde realiteit des levens van de “have-nots”!

Zijn schildering van de dertig jaar daarvoor plaatsgevonden hebbende eerdere problemen op dit terrein, zoals diefstallen, inbraken en overvallen in het oostelijker gelegen toenmalige Oostenrijks-Valkenburgs Limburgse gebied, spreken dan ook boekdelen.  Volgens hem was de problematiek toen niet zo erg als in de jaren zeventig van de 18e eeuw, de tijd dus waarin hij dit opschreef, “zeker nadat verscheiden deezer boosdoenders in Hoensbroek, Scheit (Schaesberg) en andere plaatzen hunnen verdienden loon ontvangen hadden, scheenen zy genoegzaam uitgeroojd”!!  De nieuwe ellende was volgens hem in het jaar 1760 begonnen in het Kwartier van ’s-Hertogenrade, dat deels op Oostenrijks gebied lag. De initiatiefnemer hiervan was, zo oreerde hij, een zekere Joseph Kerkhofs, een zeer “ervaren en beroemde chirurgijn” die uit het stadje met dezelfde naam afkomstig was en daar in mei 1772 op de Beckenberg opgehangen was. Ten tijde van de executie van Kerkhofs werden volgens hem 74 bendeleden ter dood gebracht in de plaatsen Merkstein, Ubach, Kerkraad, Simpelveld, Remburg (Rimburg) , maar ook in Amstenrade, gelegen in het Oostenrijks-Valkenburgs gebied.

Een volk van boosdoenders

Op dat ogenblik wist volgens Bachiene niemand nog echt goed dat ook het Staats gebied besmet was met de bende bacterie. Er waren volgens hem reeds vele geweldige huisbraken door “dit volk” gepleegd, meestal buiten het Staatse territorium zoals in de Maasband, Wurm, Heungen, Havert, Hunshoven en Immendorf, oorden die allen in het “Gulicherland” gelegen waren, zonder dat justitie een van deze “boosdoenders” in de boeien had kunnen slaan. Pas toen gevangen genomen lieden uit het ’s-Hertogenraadse land personen uit het Land van Valkenburg van medeplichtigheid gingen betichten zou de vervolging op gang zijn gekomen. Bachiene beweerde dat Kerkhofs in alle dorpen van het Land van Valkenburg over wervers beschikte die niet nalieten om de een na de ander over te halen lid te worden van de bende zodat deze op een zeker moment enkele honderden personen sterk zou zijn geworden.

Al deze mannen waren verplicht in de “St. Leonards Kapelle” “met veel plechtigheden hun eigen Roomse godsdienst af te zweren en zich aan de duivel te binden om allen kwaad te doen”!  Zij moesten een eed afleggen waarbij ze zworen dat ze in het geval van gevangenneming niemand van de bende zouden verraden, en mochten ze door het geweld van de tortuur niet anders kunnen dan een bekentenis af te leggen, dan waren ze conform hun eed verplicht deze op de plaats van executie te herroepen! Bachiene stelde dat deze eed er de oorzaak van was dat vele medeplichtigen niet op de vlucht geslagen waren, maar dat ze bleven vertrouwen op de eenmaal door de meeste complicen afgelegde eed.  Ze verbleven “gerustelyk binnen hunne huizen” en trokken niet naar het buitenland waar ze zeker voorlopig veilig waren geweest. Als ze opgepakt werden kon justitie in vele gevallen alleen met gebruikmaking van de aller zwaarste mishandelingen bekentenissen afdwingen, mishandelingen zo erg dat sommigen er het leven bij verloren.

Een samenzwering!?

Bachiene geloofde wel degelijk in een samenzwering, want zo stelde hij, “dit vloekgespan wilde zodra zij tot een genoegzaam aantal uitgegroeid waren het hele land aflopen en alles wat voor hun voeten kwam vermoorden, de kerken en kloosters plunderen etc”.  Hij was er zeer tevreden over dat de overheid  “die zaak tijdig ontdekt had en in haar voortgang had gestuit voordat zij tot het uiterste was doorgegaan”. Hij vermeldde dat sinds de in 1773 begonnen executies in de Banken van Valkenburg en de onderhorige Heerlijkheden reeds tussen de 170 en 180 personen van dit gespuis, behalve degenen die vanwege andere euveldaden geradbraakt waren, opgehangen zouden zijn. Volgens hem was het einde nog niet in zicht, en bezorgde deze ongehoorde zaak het Land van Valkenburg wel een erg slecht imago, en was er reden te over om te twijfelen aan de geaardheid van de “ingezetenen en op-gezetenen”. Hij wantrouwde het Limburgse  volk dat in Hollandse ogen niet alleen “heidens” was, maar ook een verzameling exoten vormde wier koeterwaals men niet kon verstaan. Bachiene weigerde hiermee zich te verdiepen in de ongelooflijk moeilijke omstandigheden waarin de gewone burgers zich moesten zien te handhaven in een eeuw die algemeen te boek stond als de eeuw van de armoede. Dat dit niet gold voor de elite waartoe hij zelf uit hoofde van zijn functie en relaties ook behoorde, laat hij gevoeglijk achterwege. Als de door en door arme dagloner  ’s-ochtends niet wist wat hij zijn kinderen in de avonduren te eten kon geven, liet de baron of graaf op zijn kasteel met tientallen kamers lekker verse vis en wijn aanrukken voor zijn familie.

De hardvochtigheid droop er af bij Bachiene: veelen hunner hebben zich laaten vervoeren tot zodanig een Godvergeeten eed , dat ze zich onder verdenking brengen alle menschelijkheid te hebben uitgeschud”. Bachiene vergeet hierbij dat menselijkheid en sociale bewogenheid in die dagen vooral bij de politieke en bestuurlijke elite opvallend afwezig was. Zij konden en wilden zich op grond van hun relatieve rijkdom geen voorstelling maken van wat het betekende een arm burger te zijn die in een krot woonde die geen bescherming bood tegen weer en wind en die het ontbrak aan  de meest basale eerst levensbehoeften. Ook het gewone volk op het platteland kreeg een zeer ongenuanceerde sneer uit de pot van zijn protestantse verhevenheid. Volgens hem zijn ze kreegel en twistzuchtig, eigenschappen die uitmonden in veelvuldige vechterijen, die veelal doodslagen ten gevolge hebben. Zy vallen elkander aan met een wapen ’t welk zy overal met zich dragen, bestaande in lange dikke stokken, ’t zy met knotzen voorzien, ’t zy met yzer beslagen, of met yzere pinnen daaraan vastgemaakt, welker slagen op het hoofd genoegzaam ontwyfelbaar doodelyk zijn.”

Een heidens feest

De Hoogmogende Heren in Den Haag hadden dan ook uiteindelijk als gevolg van een “heilzame” resolutie uit mei 1777 het dragen van zulke stokken aan alle lieden van het platteland op straffe van zware geldboeten ten strengste verboden. Hetzelfde gold voor het dragen van “alle ander moordgeweer” ( alle andere mogelijke slagwapens)! De regel was dat plattelanders die zich bij het naar buiten gaan bedienden van een stok, erop moesten achten dat deze de dikte van een gewone rietstok niet te boven mocht gaan, en dat de stok aan beide kanten even dik zou zijn. Volgens Bachiene hadden vele doodslagen hun oorsprong in de veelvuldige kermissen die men het hele jaar door, dan hier en dan daar, pleegde te houden. De hier vermelde resolutie hield in dat alle kermissen in de regio in alle dorpen op hetzelfde tijdstip gehouden moesten worden. De overheid had hiervoor de eerste zondag na de elfde november uitgekozen en bepaalde tevens dat de kermis niet langer dan drie dagen mocht duren. Op deze wijze hoopte de overheid dat men de vele moordpartijen waarvoor het Land van Overmaaze al sinds lange tijd berucht was kon terugdringen, zo niet helemaal kon uitroeien. Van het bendewezen was Bachiene plotseling bij de kermissen beland, die in zijn ogen ook tot de heidense taferelen van zijn roomse tegenvoeters behoorden, en waarvan hij hoopte dat ze net zoals de bendes snel “een kopje kleiner gemaakt zouden worden”.

Bachiene  beëindigde zijn beschouwing over het bendewezen, en na het kermistoetje zou hij zich gaan wijden aan de staat van het wegenstelsel in Overmaze. Een complete koerswijziging!!

Jo Vromen

Bronnen:

   1 W.A. Bachiene: “Aanhangzel tot Staats-Brabant” , vierde deel.

2 W.A. Bachiene, Vaderlandsche Geografie of nieuwe Tegenwoordige Staat en Hedendaagse Historie der Nederlanden, V, Amsterdam 1791, (eerste druk Utrecht 1779).

 

3 Historische Vereniging Leerdam, jaargang 10.

 

PS: Bachiene schreef in zijn “voorreden tot den bescheiden leezer” dat dit deel gezien kon worden als onderdeel van het boek “De nieuwe Geographie” van de heer Anthony Frederik Busching, dan wel als afzonderlijk werk beschouwd kon worden. Hij achtte een beschrijving van de Generaliteitslanden noodzakelijk omdat al het tot dan toe aanwezige materiaal over hetgeen wij tegenwoordig Limburg noemen schraal en incompleet was geweest ( d.d. 4 dec.1778).

 

 

 

Advertenties