De Vrije Heerlijkheden in het Land van Valkenburg naar ds.W.A.Bachiene

De dominee bespreekt een “heerlijk onderwerp”

Toen de dominee zijn tournee land de banken, dorpen en buurtschappen erop had zitten, waagde hij het om zich volledig op de status van de resp. Vrije Heerlijkheden te storten. Naast een soort actuele rapportage geven zijn geschriften ook een inkijk in het verleden. Zij beschikten van tijd tot tijd over het hoog-, middelbaar- of laaggerecht, en waren in de meeste gevallen een paar jaar voor de Vrede van Munster in 1648 door koning Filips de 5e in eerste instantie aan adellijke geslachten in pandschap gegeven, om daarna verkocht te worden. Alle Heerlijkheden (1) werden bestuurd door een schout die eveneens als “krimineele officier” functioneerde en bijgestaan werd door zeven schepenen en een secretaris die allen door de “Heer  of de Vrouwe” van het gebied aangesteld werden. Er was echter een maar, voor de aanstelling van de schouten en de secretarissen was de goedkeuring nodig van de “Algemeene Staaten”. De landelijke overheid in Den Haag wilde dus op vitale punten hun belangen waarborgen en in de gaten houden wie er op bepaalde posities terecht kwamen. Als de schout zijn eis geformuleerd had, was het aan de schepenen om in naam van de Heer of de Vrouwe het vonnis uit te spreken, ook als het om criminele zaken ging die binnen het grondgebied van de heerlijkheden waren voorgevallen. Een eventueel beroep was daarna niet meer mogelijk.” Als er over civiele zaken vergaderd werd gebeurde dat onder voorzitterschap van de schout, die ook deze bijeenkomsten uitschreef. Personen die het niet eens waren met het uitgesproken vonnis konden “appelleeren voor het Leenhof van Valkenburg”. Dat was nog geen eindstation, want in allerlaatste instantie kon men voor een beroep nog terecht bij de Raad van Brabant in Den Haag.

De Heerlijkheden

1 Geulle

Met de benaming Geulle was iets mis volgens Bachiene. Geulle lag per slot van rekening aan de Maas. Hoe kon het dan dat dit dorp zijn naam ontleende aan de Geul die “een half uur zuidwaarts by Itter in de Maas uitwaterde”? Volgens oude verhalen kreeg Geulle echter deze naam omdat de Maas de bedding van de Geul had overgenomen!! De naam Geulle werd overigens in oude geschriften op vele wijzen geschreven, zoals Goyla, Guel en Goele etc. Het centrum in de buurt van de kerk was klein en telde maar een paar huizen. Geulle bezat echter wel een aantal “buitenbuurten”, zoals Hussenberg, Brommelen Ulsen en Moerveld. Het kasteel van Geulle, “ een cieraad welke een der grootste en fraaisten is, die in deze geheele landstreek worden aangetroffen, zynde zeer verheeven, in het vierkant gebouwd en van een breede watergracht omringt”. Bachiene beweert dat Heer Wolther van Hoensbroek in 1560 de eerste uit dit adellijk geslacht was die door koning Filips II voor een bedrag van 6.200 gulden Brabants met deze Heerlijkheid beleend was geworden. Er zou nog een andere belening volgen in 1630 toen er nog eens een bedrag van 6000 gulden op tafel moest komen, waarna de Heerlijkheid in januari 1664 als een “onsterflijk erfleen”aan de familie verkocht is geworden, en tot aan het jaar 1762 in het bezit van deze familie zou blijven. Zijn nazaat, Conrad Ulrich. baron van Hoensbroeck-Geul, is de geschiedenis ingegaan als groot bouwheer. Hij liet in Geulle rond 1620 een imposante waterburcht bouwen à la het nog bestaande kasteel van Hoensbroek en pakte gelijk ook het herstel van de bouwvallige kerk aan. Hij deed dit zo grondig, dat het dorp een compleet nieuwe kerk kreeg op de 14e eeuwse toren na.  De overlevering wil dat uit de resterende bij de bouw van het kasteel gebruikte stenen de kerk van Geulle gebouwd zou zijn op en plek waar eerst een kleine kapel stond. Bachiene komt dan op de proppen met een verhaal dat niet klopt met de tijdslijn van het dorp. De in 1461 geboren en in 1586 overleden Antoon Haasech  zou de eerste pastoor van deze kerk geweest zijn. Waarschijnlijk bedoelt hij de dat Haasech als zodanig in de oorspronkelijke oude kapel heeft gefunctioneerd. Het moet een fitte man geweest zijn gezien zijn bereikte ouderdom. Bachiene kende in Maastricht nog mensen die een beeltenis in koper gegraveerd van deze pastoor bezaten. De kerk die het familiegraf van de grafelijk familie van Hoensbroek tot Geul herbergt, werd in 1779 door de roomse en de gereformeerde religie gezamenlijk gebruikt, mede op grond van een in het jaar 1664 door de classis van Maastricht gedaan verzoek om “deze plaats van een leeraar te voorzien” die de schippers die voortdurend op en neer voeren tussen Maastricht en Dordrecht, in deze kerk hun godsdienst kon laten vieren. Maar er was nog een reden waarom het verzoek werd ingediend. Na een eventuele goedkeuring konden de spaarzame gereformeerde gelovigen uit het aan de overzijde van de Maas gelegen Rekem , maar ook die uit de zich in de naaste buurt bevindende Vrije Heerlijkheden Stein en Elsloo afzakken naar het Maasdorp om er de gereformeerde dienst bij te wonen. Volgens Bachiene was op het moment dat hij dit schreef, het aantal aanhangers van zijn “ware religie”erg klein, en bezat het dorp een predikant die door de classis in Maastricht na approbatie van de Haagse overheid was aangesteld, en woonden er ook enkele Mennonieten ( doopsgezinden genoemd naar de priester Menno Simons uit Witmarsum) in het dorp. Geulle werd in maart 1772 getroffen door een zeldzame natuurramp, waarbij een modderstroom zich met groot geweld een weg naar beneden baande vanaf de Moorveldse hoogten. Bachiene vertelt niet of er ook slachtoffers te betreuren waren.

2 Bunde- Ulestraten

Beide dorpen vormden in 1778 samen een Heerlijkheid die eveneens eigendom was van gravin Anna Marie, geboren Hoensbroek tot Geul en douarière (weduwe van adel) van Hohenzollern. Anna Marie werd op acht mei 1729 geboren op slot Geulle en overleed daar ook op 26 september 1798. Bunde dat toen in een laagte nabij Geulle lag, had een kleine kerk die alleen door de roomsgezinden gebruikt werd. Deze Heerlijkheid werd al in het jaar 1626 voor 4000 gulden verpand aan de Heer van Geulle. Bunde bezat toen in de buitenplaats Rustenburg een bijzondere plek. Huize Rustenburg is nu een volledig gerenoveerde bakstenen herenhof en rijksmonument die gesitueerd is rondom een binnenplaats met een achtervleugel uit 1654 en een ingangsvleugel uit 1720.  Als Bachiene over Ulestraten begint, lijkt het wel alsof hij het over een vreemd en ver oord heeft waar een sataneske religie het voor het zeggen heeft. Het is duidelijk dat de mens voor hem bestond uit een door de overheid “gechipte” verplichte staatsreligie en dat iedereen die daaraan niet beantwoordde welhaast een inboorling uit het verre Afrika leek: “t ander dorp Ulestraaten ligt op ’t gebergte en wordt mede eeniglyk bewoond door Roomsgezinden”! Tot het dorp behoorden toen in de taal vanm Bachiene de gehuchten Groot en Klein Bergen, Schietikhoven, Humhoven, en Waterval. Het gebied was op 7 augustus 1626 voor de lieve duit van 3100 gulden aan de graaf van Rekkem verpand, maar is daarna waarschijnlijk voor meer geld naar het geslacht van Hoensbroek tot Geul gegaan. Het dorp bezat drie voorname bronnen die de inwoners van water voorzien. Deze bronnen ontsprongen resp. uit “een bergweide en uit het nabijgelegene gebergte, en gaven zooveel waters dat er te Meerssen een graanmolen door in werking wordt gebracht”. De van de deze bronnen stammende beekjes liepen in een kromme richting naar de Geul, aldus geschiedschrijver Poell. Het Slot-te Vliek viel volgens Poell op door zijn fraaie waterpartijen en bossen die een totaal oppervlak van 110 bunder besloegen.

3 Itteren

Het dorp Itteren, oorspronkelijk een Vrije Rijksheerlijkheid samen met Borgharen, ontstond in de Middeleeuwen op de oostoever van de Maas. In het jaar 1330 werd het leen Itteren ontkoppeld van Borgharen en kwam toe aan de heren van Valkenburg. Het dorp kwam uit hoofde van het Partage Tractaat in 1661 in Staatse handen. In 1778 was het in bezit van de Heer J.A.J. Olyslagers oud-burgemeester van Maastricht en commissaris-instructeur en pensionaris van deze stad aan Luikse zijde. Hij kocht het enkele jaren eerder van de familie Gilman uit Luik. Olyslagers bezat ook het voortreffelijk kasteel Meerssenhoven. Naast Huis Hardestein of Hartestein ( Hartelstein) behoorde het goed tot de toenmalige parels in de omgeving.

4 Op-Haren (Borgharen)

Dit dorp werd zo genoemd om het te kunnen onderscheiden van het aan de andere kant van de Maas bij Rekem gelegen Neerharen. Neerharen was een Heerlijkheid die in de tijd van Bachiene in het bezit van de abdis van Hocht, Vrouwe Douarière van der Heiden de Blisia de Loye, geboren barones de Rosen die in de stad Luik vertoefde. Deze abdij was eens in handen geweest van de Cisterciënzernonnen van Aken maar was geleidelijk aan geëvolueerd naar een klooster voor seculiere vrouwelijke kanunniken. De dames konden zelfs uittreden en huwen en de eeuwige gelofte van zuiverheid had enkel nog betrekking op de abdis zelf. De in het jaar 1708 in functie zijnde abdis Marie-Ursule de Minckwitz verwierf in dat jaar door aankoop de Heerlijkheid Neerharen en werd daarmee Vrouwe van Neerharen. Het klooster of ook wel stift genoemd was alleen toegankelijk voor adellijke dames die voor het geval ze in de Hocht wilden intreden wel acht adellijke kwartieren moesten kunnen voorleggen. In de abdij leefden nonnen die ook wel werkzusters genoemd werden en de geloftes van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid moesten afleggen. Het andere deel van de populatie bestond uit dames van adel, die men koornonnen noemde. Zij waren gehouden de gelofte van gehoorzaamheid af te leggen. Zweren op de andere geloftes was enigszins een probleem. De gelofte van armoede afleggen lag voor hun moeilijk gezien hun adellijke status, en kuis zijn was iets dat voor hun alleen maar hoefde tijdens hun verblijf tussen de vier muren van het klooster. De freules mochten immers het klooster verlaten. Zo gaf de abt-generaal van hun orde na een inspectie in 1612 het advies om een muur rondom het klooster te laten bouwen, want de dames hadden last van “allerlei verzuchtingen en kwellingen” en alleen een muur zou hun op het goede spoor kunnen houden. De hoge geestelijke achtte het eveneens noodzakelijk om de deur die naar de kamers van de biechtvader en de kapelaan leidde te verplaatsen, en zelfs de jonge bakkers in de kloosterbakkerij vormden in zijn ogen een bedreiging voor de jonge dames. Het gerucht dat baron Floris de Merode in die tijd verliefd zou zijn geweest op abdis Anna de Robles deed zelfs de ronde. Overigens bezat het klooster een refugie in Maastricht, de Poort van Hocht aan de Boschstraat.

Terug naar Borgharen, de heerlijkheid die ook in handen was van  de abdis van de Hocht, en waarvan Bachiene zei dat het kasteel aldaar “redelyk groot was en van een deftig aanzien”. Het kasteel was eerder in vervallen staat geraakt en vrijwel onbewoonbaar geworden. De abdis had echter ingegrepen en opdracht gegeven tot een renovatie waarmee men in 1776 startte en die ertoe leidde dat het kasteel aanmerkelijk verbeterd en vernieuwd werd. Het bracht voor de abdis een voordeeltje mee. Ze kon er in een aangename omgeving heerlijk de zomer doorbrengen. Tijdens de belegering door de Fransen van Maastricht in 1748 had de Franse generaal graaf van Löwendal er zelfs zijn onderkomen van gemaakt. De kerk te Borgharen was opgedragen aan St.Martinus. Het simultaneum gold ook voor Borgharen, uit hoofde waarvan een maal per jaar in deze roomse kerk een protestantse kerkdienst gehouden moest worden. Uit een vroeg 18e eeuws (2) visitatieverslag bleek dat er geen protestanten in het dorp woonden, maar dat de Staten wel het goed van de kerk en de bezittingen van de armen in beslag genomen hadden. Er was ook geen schoolmeester te vinden, en als die er al mocht komen moest hij beslist van protestantse huize zijn.

5 Eijsden

Bachiene betitelde het als een groot en vermakelijk dorp dat “van een wyden omtrek’was, en behalve het dorp zelf uit 699 bunders bouw- en weiland bestond. Deze Vrije Heerlijkheid behoorde eerst toe aan het geslacht van Amstenrade die ook Heer van Geleen waren. Nadat Johan Willem van Amstenrade in eerste instantie zijn vader Arnold was opgevolgd als heer van Eijsden deed hij daarna vrijwillig door akte van cessie afstand van zijn bezit waardoor het in 1592 in handen kwam van zijn zus die gehuwd was met een Bourgondisch edelman uit de familie de la Margelle. Deze edelman liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon Arnold de la Margelle die als kapitein dienst deed in de lijfwacht van de koning van Spanje. Het gebied zou in de 17e eeuw in handen van deze familie blijven, maar door uitsterving in de mannelijke lijn zou de naam de la Margelle uit de boeken verdwijnen. De enig overgebleven dochter van de laatste de la Margelle, Arnold Theodoor Amor, Heer van Eijsden en Eupen, trouwde in 1703 met Anthon Ulrich, graaf van Hoensbroek tot Geul, en Heer van Oost, die een zoon was van de broer van haar moeder. Hij liet na zijn dood in 1727 twee dochters na, waarvan de oudste, Isabella, drie jaar eerder gehuwd was met graaf Maurits de Geloes, Heer van Fontenois in Condros, eerste minister van de prins-bisschop van Luik, en namens deze commissaris-deciseur in Maastricht. Zijn oudste zoon, graaf Willem de Geloes bezat ten tijde van Bachiene bezat de Heerlijkheid Eijsden terwijl zijn jongste zoon op dat moment het ambt van Hoogproost van het St.Servaas kapittel bekleedde. De nieuwe Heer had het kasteel in 1775, “zeer vernieuwd en verbeeterd, zijnde met een schoonen tuin en vermakelyke wanderldreeven vercierd”! Inderdaad, de elite wist er wel weg mee. Het kasteel en eigenaar Arnold de Margelle hadden in de persoon van prins Willem van Oranje in november 1672 enkele dagen lang een voorname gast gehad. Hij had het namelijk tot zijn hoofdkwartier gemaakt toen hij met zijn leger onderweg was naar Charleroi om die stad te gaan belegeren. Van een belegering kwam echter niets vanwege het ruwe winterweer. De prins werd allervriendelijkst ontvangen door de gedeputeerden van Luik die hem verrasten met een banket en een lading “eerewijn”. Zijn ruiters konden daar niet van mee genieten, zij lagen in de dorpen in de omgeving ingekwartierd, en hadden tussen slot Navagne en Visé een schipbrug geslagen die hen in staat stelde hun tocht naar hun doel voort te zetten.

Bachiene ging nu zijn stokpaardje berijden en noteerde dat Eijsden “ten allen tyde een taamlyk talryke Gereformeerde gemeente gezien had, hoewel zy sedert eenige jaren afgenomen was het recht van vrye Predikantsberoeping had”. In de periode tussen 1648 en 1661 bestond er ook een Gereformeerde Gemeente te ’s-Gravenvoeren die met die van Eisden gecombineerd was. De gemeente van ’s-Gravenvoeren hield op te bestaan toen dit dorp binnen de regels van het Partage Tractaat aan de koning van Spanje kwam. In het begin van de 18e eeuw was Eijsden de begraafplaats voor de soldaten, officieren en hun gezinnen van de gereformeerde godsdienst die in Hoei in dienst waren van het Staatse garnizoen. Hun stoffelijke overschotten werden per schip naar Eijsden vervoerd niet alleen omdat dit dorp het dichtst bij gelegen was, maar voornamelijk omdat er een gereformeerde kerk was. Volgens Bachiene waren de mensen bang dat in het geval Luik weer heer en meester zou worden in Hoei, men uit wraak de gereformeerde inwoners “eenige mishandelingen zouden aandoen”en zelfs de begraafplaatsen niet met rust zouden laten.

Het dorp bezat zeer fraaie huizen die in handen waren van lieden van elders die door de aangenaamheid en de landstreek gelokt werden om er te komen wonen. Sommige inwoners hielden zich bezig met de handel in en het verkopen van koren en Hollandse waren die zij uitvoerden naar de Landen van Daalhem en Limbourg.   In de omgeving van Eijsden vond men uitgestrekte boomgaarden die hun vruchten leverden aan de jenever stokerijen in het dorp. Voorheen waren er scheepsladingen zwarte kersen naar Rotterdam gegaan, maar die handel was de laatste jaren in elkaar gezakt. Er was nog meer handel, want in 1775 was een “voornaam koopman uit het Monsjouwerland” naar Eijsden getrokken om er een lakenfabriek ter beginnen. Hij had een groot huis met erf gekocht en had ervaren arbeidskrachten aangetrokken die bedreven waren in spinnen, weven, vollen, verven etc. De overheid was in gevolge een resolutie van vijf april 1775 bereid om het “recht van naasting ”(3) voor vijf jaar op te schorten zodat een eventuele schroom bij ondernemers om zich hier te vestigen zou kunnen weggenomen. De Heer van Eijsden bezat op de Maas een watertol en een landtol, waarmee burgers uit Maastricht  wat betreft de watertol vrij waren. Ten zuiden van Eijsden lag het buurtschap Laag-Kaastert dat die naam droeg om het te onderscheiden van het aan de overkant gelegen kasteel Hoog-Kaastert aan de rand van de St.Pietersberg. Laag-Kaastert kende een watermolen, een zaagwatermolen en een buitenplaats die de naam Reinickenhof droeg, naar de voormalige eigenaar een officier uit het Staatse garnizoen in Maastricht. Bachiene vond dat het gehucht er qua opstelling van de huizen verward uitzag. Dat de Rijksheerlijkheid Bruist eens een geheel vormde met Eijsden bleek in 1778 nog uit allerlei zaken. Zo kende de kerk van Eijsden toen geen pastoor maar werd bediend door de pastoor van Bruist. Bruist was op dat ogenblik eigendom van het kapittel St.Martin in Luik, die ook de drossaard en de noodzakelijke ambtenaren voor Bruiste aanstelde.

Het buurtschap St.Geertruid lag ten noordoosten van Eijsden op een hoogte en werd door zijn onderhorigheid ook wel Eijsden-op-den-berg genoemd. De daar gelegen kerk bezat geen gereformeerde predikant en ook geen schoolmeester van dezelfde religie. De inwoners van het aanpalende Herkenrade bezaten geen eigen kerk, en daar ze in 1778 allen van de roomse godsdienst waren gingen in St.Geertruid ter kerk. Bruisterbosch en Libeek waren meer landinwaarts gelegen. Libeek bezat een voormalig riddermatig goed dat er volgens Bachiene uitzag als een pachthof. Het huis behoorde toe aan de graaf Hoen, Heer van Neufchateau, die uit hoofde van dit bezit tot de Landstenden van het Land van Overmaze gerechtigd was. Er was echter nog een gebied dat bezit was van Eisden. Dat was het verder weg gelegen Blyt of Ter Bliet bij Valkenburg.

1: Jaques le Roy, ridder en vrij baron van S.Empire heeft in 1716 in Brussel een interessant boekwerkje laten uitgeven over de geschiedenis van verpande en verkochte Heerlijkheden in geheel Brabant en Limburg. “Instructions et Ordonnances de l’alienation, engagere et Vente des Seigneuries, Domaines et jurisdictions du Duché de Brabant et pais de Outre Meuse.

2 Ubachs-Evers, Historische Encyclopedie Maastricht 2005

3 Recht van naasting: Dit was in de Nederlanden tot aan het einde van de 18e eeuw van kracht en hield in dat degene die het recht van naasting bezat, het recht had om het verkocht onroerend goed over te kopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties