Klimmen en zijn onderhorige dorpen en buurtschappen

De hoofdbank Klimmen bezat een tweetal onderhorige dorpen, Hulsberg en Schimmert, en daarnaast nog een flink aantal buurtschappen. Klimmen, op drie uur gaans gelegen van Maastricht, maar dan moest je wel flink doorstappen, “lag aan den gemeenen landweg naar Heerle op den hoogsten der bergen van welk tops men allerwege een verre uitgestrekt en fraai gezicht heeft”.  Bachiene is er niet geheel onterecht van overtuigd dat het dorp deze naam gekregen heeft omdat men vanuit Valkenburg “derwaard gaande tegen deze hoogt opklimt”! Het is niet vreemd dat de dominee het dorp als allereerste positioneert als een zeer kleine gereformeerde gemeente die door een eigen predikant bediend wordt. Deze status was belangrijk in zijn ogen, waarin religie een zaak van de overheid was. De aan de heilige St.Sebastianus toegewijde kerk werd overigens door de roomsen en de protestanten overeenkomstig  de principes van het simultaneum samen gebruikt. Hij beschrijft hoe onder aan de voet van de in het zuid-westen gelegen berg “een by uitstek waterryk oord” te zien is, dat “Zeven Sprongen” wordt genoemd, maar voegt er haastig aan toe, dat er thans in het jaar 1778, veel meer dan zeven bronnen uit de grond opwellen die samen een beek vormen die gestaag naar de Geleenbeek stroomt. Bachiene rekende de Heek, Walem, Weustenraad of Woestenraad, Ransdaal, Rittersbeek, Kraubach of Kraubeek waar een soort grauwe steen gegraven werd die men voor bestrating gebruikte, tot de buurtschappen. Reizigers die van Klimmen naar Heerlen gingen zagen aan hun linkerzijde het prachtige Kasteel Haaren liggen, dat men niet moest verwarren met de bij Maastricht gelegen “Burg Haaren”, aldus Bachiene. Het is de vraag of Bachiene al dit schoons zelf heeft gezien, of dat hij zich naast eigen ervaringen mede baseert op indrukken van hem bekende rondtrekkende predikanten of andere reizigers. Het is niet vreemd dat “indringers”uit de Hollandse polder met ontzag en bewondering keken naar de grote variatie in natuur die zo kenmerkend is en was voor Limburg.

Kasteel Haaren

Haaren behoorde tot die riddermatige hofsteden die ten allen tijde in handen waren geweest van adellijke lieden, die uit hoofde daarvan het “recht van beschryving hadden ter Lands Vergadering des Kwartiers van Valkenburg”. Het kasteel was vanouds her in bezit geweest van het geslacht Hoen zu der Brouch, en werd op 12 augustus 1518 samen met de hofstede Zuide-Nelen ( de Lindenhof) verheven door Heer Herman van Hoen. Na deze datum zou het goed  tot aan het jaar 1671 eigendom blijven van de graven van Hoen. In het jaar 1701, het was inmiddels een andere tijd geworden met een imminente dreiging van oorlog, kwam het kasteel door verkoop aan de Heer George van Tunderveld (Donderveld), die de hoge positie van generaal bekleedde in het keizerlijke Oostenrijkse leger, en ook de eerste Oostenrijkse gouverneur van Limburg zou worden. In 1722 slaagde Johan Adam van Clermont, de in juli 1673 in Burtscheid bij Aken geboren rijke lakenkoopman, en in die tijd ook heer van Neubourg, Gulpen en Margraten, erin om het kasteel te verwerven. Haaren zou ook na zijn dood in 1731 tot 1770 in handen blijven van het geslacht van Clermont.

In dat jaar werd de in december 1734 te Maastricht geboren Mr.Willem Hendrik van Panhuys, “rentmeester der Domeinen en Geestelijke goederen in de Landen van Overmaas”, en daarnaast commissaris-instructeur( 1773-1795) te Maastricht, maar ook behorend tot de Ridderschap van Valkenburg ( 1780), op jonge leeftijd eigenaar van het goed. Willem Hendrik, een vurig patriot, zou in een zeer vervelend conflict raken met orangist Jan Hubert van Slype. Deze vete die op uitermate boeiende wijze beschreven is in het LGOG Jaarboek 2005 door dr.Frans Gerards onder de titel “De zaak van de rentmeester” (1), zou van Slype die een goede vriend was van de “Billie Turf”onder de hertogen, Lodewijk Ernst van Brunswijk –Wolfenbüttel, uiteindelijk in 1789 “de kop kosten”. Van Panhuys maakte werk van de restauratie van het kasteel dat in 1742 was afgebrand en daarna nooit meer volledig was opgebouwd. Volgens Bachiene had “de tegenwoordige bezitter  het gebouw zo van binnen en buiten treflyk opgetimmerd”. Het kasteel bezat “eenen wyden omtrek in het vierkant en was met zynen stallingen en schuren binnen een vischryke gracht ingesloten”!  Als de reiziger zijn weg naar Heerlen vervolgde kwam hij Huis Lindenhof tegen, een pachthof die altijd al verbonden was geweest met Huis Haaren. Zo was van Panhuys evenals alle hier genoemde andere eerdere bezitters van Haaren door aankoop van het kasteel ook eigenaar geworden van de Lindenhof. Telde men de landerijen, bossen, boomgaarden en weiden van beide hoven op, dan kwam men tot een aantal van 160 bunder of Hollandse morgen. Alhoewel deze oppervlakte maat van streek tot streek verschilde moet het een enorm gebied geweest zijn, (in 1816 werd een bunder in Nederland gelijk gesteld aan een hectare). Van Panhuys zou in het jaar 1808 zijn laatste rustplaats krijgen in de grafkelder te Haeren.

Kasteel Rivieren

Naast Kasteel Haeren kende het dorp ook nog het in Retersbeek gelegen kasteel Rivieren of “Terveeren”, zoals de uit Sevenum stammende de historicus Gerard Mathieu Poell in zijn uit 1851 daterend boek “Beschrijving van het Hertogdom Limburg” vermeldde. De oudste vermelding van dit kasteel dateert uit 1444, waarbij een zekere Ghysbert van der Vyeren als bezitter wordt genoemd. Het geslacht van Rivieren werd al eerder vermeld. Zo werd een zekere Catharina van Rivieren vermeld als priorin van het Norbertinessen klooster te Houthem-Sint Gerlach. De blog “Voerendaal vertelt” schrijft dat zij het kasteel in 1364 gesticht zou hebben. Het kasteel dat zeer waarschijnlijk gebouwd werd op de fundamenten van een eerder gebouw, diende in eerste instantie als klooster. Tot de langdurige bezitters van het kasteel kunnen we de familie Huyn van Amstenrade en vanaf 1641 via erfdeling de familie Eynatten rekenen,(Rijckheit-Heerlen).

De onderhorige dorpen

Hulsberg

In het op een half uur afstand ten noordwesten van Klimmen in een bosrijke streek gelegen dorp Hulsberg,  bevond zich een kerk die “tot diepe treurnis” van Bachiene alleen door de Roomsgezinden gebruikt werd, “dewyl er geene Gereformeerde gemeente is”. Als Bachiene vertelt dat er “zich alleenlyk een gereformeerden schoolmeester bevindt”, klinkt dat een beetje treurig. De man wiens inkomen mede afhankelijk was van het schoolgeld dat zijn leerlingen meebrachten van thuis, zal geen vetpot gekend hebben. Gelukkig was hij door zijn lidmaatschap van de gereformeerde gemeente in Klimmen verzekerd van een aantal contacten. Het dorpje Hulsberg was omringd door een aantal landelijke buurtschappen zoals Aalbeek en Arensgenhout, dat volgens Bachiene “gemeenlyk, kortheidshalve maar blootelyk den Hout” genoemd werd door het gewone volk. Bij Bokkenrijders fanaten is het laatstgenoemde gehucht zeer bekend vanwege de brute overval op hoeve de Frisschenhof in januari 1760.

Schimmert

Het derde tot de Hoofdbank Klimmen behorende dorp is Schimmert of “Schummert” zoals Bachiene het met veel gevoel voor het regionale dialect noteerde. Het dorp lag zo dichtbij de grenzen van Oostenrijks-Valkenburg dat sommige huizen bij de kerk “eenigermate tot het Oostenrijks gebied meede gereekend werden”. Deze buurt “de Bies”genaamd, was in feite slechts een langgerekte straat, waarvan de bewoners zowel voor hun schattingen (2) als wel voor hun kerkelijke status aan Schimmert onderhorig waren, met dien verstande dat dit rechtsgebied op “krimineel en civiel” terrein aan Spaubeek was onderworpen. Het dorp Schimmert was volgens onze dominee van een redelijke omvang en kende een eigen gereformeerde gemeente die tot het jaar 1684 ook over een eigen predikant beschikte. Na deze datum werd deze gemeente op godsdienstig gebied aan Meerssen gekoppeld, waardoor de betreffende predikant afwisselend zijn gelovigen in beide dorpen moest bedienen. De protestantse gemeente werd overigens in 1684 als zodanig opgeheven omdat er te weinig gereformeerde gelovigen waren. De parochie Schimmert kende drie buurtschappen, Haasdal, Klein-Haasdal en Klein-Oensel.

Haasdal

De naam Haasdal is waarschijnlijk afkomstig van het Germaanse “habukas dala”, “dal van de havik“(3). Haasdal of Groot-Haasdal is mede bekend geworden vanwege de in 1870 door amateurarcheoloog pater Jos Habets deels opgegraven overblijfselen van de “Villa Rustica Op den Billich”, die zich op een ten zuidoosten van Haasdal liggend veld bevond. De overlevering wil dat bij deze amateuristische opgraving lokale inwoners kans hebben gezien hun vloeren te verfraaien met door hun op het opgravingsterrein ontvreemde hardstenen vloertegels. Rond het jaar 1100 verscheen op ongeveer dezelfde plek waar de Romeinse villa gestaan had de woonzetel van het  ridderlijk geslacht Allardus van Havigsdail of Haeske(s)dale (4), een geslacht dat horig was aan de heer van Valkenburg. Als bewoners worden in die periode Gosewijn en Henrik van Haesdal genoemd. De bezitters bouwden een tiendschuur waar de pachters uit de omtrek hun tienden moesten betalen. Het geslacht van Haefkesdael zou er vierhonderd jaar lang blijven wonen, maar de tijden veranderden en rampen dienden zich aan, zoals hier te lezen valt.

Toen in juli 1474 Karel de Stoute, hertog van o.a. Bourgondië, Brabant en Limburg, een groot legerkamp tussen Haasdal en Raar legde, vanwaar hij op 25 juli verder trok naar Nuth, brak de hel in deze regio pas goed  los. Op St. Valentijnsdag (12 februari) 1487 trok zijn beulsknecht Robrecht van Arensberg met ca. 1100 man naar Meerssen om de kerk en de proosdij te plunderen. De daarop volgende  vier dagen plunderden zijn mannen in een orgie van geweld het Land van Valkenburg, tijdens welke rooftocht te Schimmert dertien huizen platgebrand werden, (Rijckheit Gemeente Schimmert). Haefkesdael onderging hetzelfde lot. Alleen een voorraadkelder, een oude dertig meter diepe waterput en een vluchtgang naar het Ravensbos “overleefden”deze slachting.

 

Laethof, Obbendorff en Bockhof allemaal namen voor dezelfde hoeve

Het geslacht Lambooij ondernam in 1540 stappen om het kasteel te herbouwen en noemde het voortaan “Laethof”. De hoofdpoort kwam te liggen aan de weg tussen Schimmert en het dal dat naar Meerssen voerde. De tiendplichtige boeren konden via drie toegangspoorten hun verplichte deel van de oogst via de binnenplaats naar de tiendschuur brengen. Toen dochter Maria Lambooij een tijd later met jonker Mattheis Bock uit Aken trouwde, kon dit geslacht zich gaan “ontfermen”over deze hofstede. Toen in het jaar 1677 een van zijn nakomelingen, Jonkheer van Bock, een grote restauratie liet uitvoeren in laat-17e eeuwse renaissance stijl die nog af te lezen valt op de gevelsteen, heette de hoeve” Laethof van Haesdal of Obbendorff”. De hoeve maakte naar buiten toe een zeer weerbare indruk, hetgeen mede te danken was aan de dikke muren en de vele schietgaten. Ze werd korte tijd later echter bij een erfenis in twee delen opgesplitst, waardoor er een nieuwe ingang aan de voormalige zijkant ontstond. De Bockhof zou vanaf de Franse tijd geen adellijke bezitters meer kennen.

Bockenhof-Schimmert-Voorzicht_1

Bockhof Schimmert

 

 

 

 

De eenzame wandelaar of de boer die toen met kar en paard naar Meerssen toog, kon aan de limieten van Schimmert de voormalige riddermatige hofstede Oppendorp goed ontwaren. (5) De naam stamt uit de 17e eeuw en verwijst naar “het kasteel  boven op het dorp”. Het goed behoorde zoals gezegd, toe aan het adellijk geslacht der Bocken(!), die op grond van hun positie “regt ter verschrijving der Staten in het Land van Valkenburg” hadden. Toen de mannelijke tak uitstierf en de dames in deze familie door “mishuwelijken” tot de ordinaire boerenstand vervielen, was het gedaan met de status van de hof. Het huis staat nu nog steeds bekend als de Bockhof. Volgens Bachiene zou dit geslacht ook het dorp Boxmeer aan zijn naam geholpen hebben. Ik betwijfel of dit waar is. Wel is terug te vinden dat in de tweede helft van de 13e eeuw de graaf van Gelre het dorp Mere in leen gaf aan een zekere Jan Boc de Mere. De vraag is of deze Boc iets met die andere Bocken te maken had, voer voor genealogen dus. De Bockhof, ook Bockenhof of Bokkenhöfke genoemd, had in de periode dat Bachiene zijn indrukken neerpende volgens hem niet meer de allure van een “Herenhuizing, maar van een grote pachthof”.

Jo Vromen

Bronnen:

1 Dr.F.M. Gerards: De zaak van de rentmeester LGOG Jaarboek 2005. pgs. 33-88

2 Belastingplichtig of schatplichtig

3 Wikipedia Schimmert

4 Eifelnatur-Bockhof

5 Aardrijkskundig Woordenboek der  Nederlanden, A.J. van der Aa, achtste deel, Gorinchem 1846 c.q Rijckheit Heerlen

 

 

 

Advertenties