Gerrit van Braampt was naast schoolmeester ook voorlezer in de protestantse kerk te Voerendaal. De kerk in Voerendaal behoorde bestuurlijk tot de Gereformeerde gemeente van Heerlen. Gerrit kreeg voor zijn diensten bij  begrafenissen en dergelijke geld van de kerkelijke overheid. Uit de kerkelijke rekeningen blijkt dat het standaard tarief daarvoor klaarblijkelijk vijf gulden was. Het luiden van de klokken behoorde ook tot zijn verplichte bezigheden. Hij kreeg ook daar een kleine vergoeding voor, meestal waren dat een of twee schellingen. Als rijke burgerlijke families of adellijke geslachten er prijs op stelden dat de klokken een aantal dagen lang op een bepaalde tijd voor een familielid moesten luiden, kreeg de meester  daarvoor in natura betaald. In de praktijk ontving hij voor elke dag waarop  hij de klokken moest luiden een zak rogge. Hij moest de rogge dan delen met een paar andere dorpelingen omdat er in zulke gevallen meerdere personen ingezet werden. Het is niet meer na te gaan op welke datum van Braampt schoolmeester en voorlezer is geworden. Uit de parochiearchieven weten we wel dat zijn dochter in juli 1690 te Voerendaal trouwde met een zekere Degenhart Deiter uit Mühlheim aan de Rijn. Uit deze informatie, een ander iemand vervulde op dat tijdstip de taak van voorlezer, kunnen we wel afleiden dat Gerrit toen nog geen ambt bekleedde in het dorp. We lezen in de acta dat hij in het jaar 1700 diaken werd, en in later jaren nog een paar keer als ouderling fungeerde Hij legde zijn functies, dus ook het beroep van meester dat hij op enig tussen liggend tijdstip had gekregen, overigens neer in het jaar 1720.

Gerrit kreeg in de persoon van Balthasar Emonds een weinig stabiel opvolger die snel met een aantal  mensen ernstige meningsverschillen kreeg. Hij raakte zelfs in een serieus conflict met zijn  lokale classis. Hij was in 1721 nauwelijks in functie of de hel brak los . Emonds keerde zich vooral tegen de persoon van kerkenraadslid Isaac Willem Hoffman. Hoffman had geen al te beste reputatie! Hij was een aantal jaren eerder vanwege een conflict met het Akense stadsbestuur zelfs voor een aantal jaren deze stad uitgejaagd. De kerkenraad nam het Emonds zeer kwalijk dat hij zich op ongehoorde wijze tegen dit instituut afzette. Men verweet hem dat hij zijn ambt als schoolmeester onvoldoende vervulde. Hij was inderdaad vaak afwezig en liep al dronkemanspraat uitslaande door de stad Heerlen. De raad vond het ook niet kunnen dat hij lasterpraatjes rondstrooide over kerkenraadslid Hoffman. Emonds was een boef vergeleken met de brave van Braampt. Toch zou van Braampt nog heel wat ellende tegen komen in zijn leven. Gerrit en zijn vrouw en dochter werden einde maart 1721 slachtoffer van een gewelddadige overval. Het gezin werd zeer zwaar mishandeld door de overvallers. Gerrit werd zo erg toegetakeld dat hij korte tijd later aan zijn verwondingen stierf. De overvallers hadden vrijwel alles wat het gezin bezat meegenomen. Het zou een hele tijd duren voordat men de daders te pakken kreeg.

Pas twee jaar later, in april 1723, slaagde justitie er in om een aantal van deze misdadigers op te pakken. Dat gebeurde in het verre Den Haag waar ze op dat ogenblik gevangen zaten in de “Voorpoorte”. Vele in die tijd bij overvallen betrokken personen sloegen op na hun daad op de vlucht, omdat ze zich in veraf gelegen oorden veilig waanden. Nadat ze  in eerste instantie voor de rechter in Den Haag werden gebracht, kwamen de van de overval verdachte het personen voor de Brabantse rechtbank. Het ging hierbij om de jood Pasman Hirts en de jodin Helena Maus. Ze werden al een dag later opgehangen en veroordeeld tot het betalen van alle gerechtskosten. Hun vonnis werd voor iedereen duidelijk leesbaar aan muren van de kerk in Voerendaal opgehangen. Er was echter nog een derde persoon bij deze verval aanwezig geweest. Dat was de jodin Hester Andriesse die uiteindelijk een mildere straf zou krijgen omdat ze alleen van heling verdacht werd. Toch was haar straf ook immens zwaar! De rechtbank veroordeelde de vrouw tot geseling met de strop om de hals (let op volgende keer…), brandmerking en 33 jaar tuchthuis met dwangarbeid.  Een dergelijke straf overleefde in die tijd  niemand. Als ze haar opsluiting al zou overleven, wachtte haar een eeuwige verbanning uit Brabant. Haar hele bezit werd overigens verbeurd verklaard.

In het begin van de 18e eeuw, maar ook op het einde van deze eeuw, zien we een toename van criminaliteit waar Joden bij betrokken zijn. Joden zaten al eeuwenlang in het verdomhoekje, deels door het bijgeloof van andere groepen, en deels door de verkettering door Luther, die joden en christenen van woeker beschuldigde. Geldhandel was echter een van de weinige zaken waar ze zich mee bezig mochten houden omdat het hun niet toegestaan was om lid te worden van een gilde. Voor de roversbenden gold overigens ook dat ze deels voortkwamen uit sociale nood. De veelal uit de Oekraïne en Polen verdreven Joden waren bijna allen behoeftig. Het was overigens niet vreemd dat de eigen bevolking die meestal zelf zeer arm waren,  vreemd tegen de nieuwkomers aankeek. Er kwam ook kritiek uit eigen Joodse hoek. Zo richtte de Joodse kerkenraad van Kampen zich in de 18e eeuw tot hun overheid om geen andere dan in Holland geboren Joden tot de handel meer toe te laten. Zij vreesden dat er anders voor hun geen toekomst meer zou zijn.

Jo Vromen

 

Advertenties