Herbergier verleidt jonge knapen

Was Willem een z.g. Bokkenrijder of was ook hij een slachtoffer van de vervolgingswaanzin van de “Limburgse regenten”. Op negen september 1773 kwam het schepengerecht van Berg in een buitengewone vergadering bij elkaar om deze man aan een verhoor te onderwerpen. Dat gebeurde niet in Berg zelf, maar in het Sint Servaes Panhuijs in Maastricht. Het gebied van de bank Berg behoorde immers tot het eigendom van het Servaes kapittel. Huijnen was “herbergier” en kleermaker van beroep en woonde onder aan de Rasberg die naar Berg en Terblijt leidt. Willem had overigens geen al te beste reputatie.Van huis uit was hij snijder, maar als het uitkwam schonk hij ook bier en brandewijn aan gasten.Er deden diverse verhalen de ronde over deze man. Een van die verhalen ging over het feit dat hij jongeren uit zijn  omgeving zou aanzetten tot het stelen van vruchten en oogst van hun ouders. De jongelieden verkochten die dan tegen een voordelig prijsje aan Willem! Een gratis biertje of een brandewijntje konden de jeugdige booswichten makkelijk overhalen om met hem samen te werken. Zo was er een zekere Paul Duijsings die op bevel van Willem koren dat van zijn vader was had gestolen. Hij bracht de zak stiekem in het holst van de nacht naar het huis van Willem. Paul had al eerder door hem gestolen tarwe aan hem“geleverd”. De beruchte stroper Jannes Bekkers bekende later dat hij vruchten en zelfs kippeneieren van zijn moeder stal, om er Willem mee van dienst te zijn.

Willem werd nog van meer dingen verdacht, vooral nadat een in Valkenburg gevangen zittende verdachte hem van medeplichtigheid aan diefstal had beschuldigd. Willem zou hebben meegedaan aan een al jaren eerder gepleegde overval op het Panhuijs te Wijnandsraede, aan een inbraak aan de Maesband, en aan een overval op een woning te Schimmert. Het ging om zaken die soms al achttien jaren terug lagen. Schout Milliard verschafte de schepenen alle noodzakelijke informatie en besloot om de door Willem begane misdaden te gaan vervolgen. De rechtbank beschuldigde hem van het feit dat hij lid was van een goddeloze bende. Ze verweet Wilem ook nog dat hij de beruchte godslasterlijke eed had afgelegd en een verbond met de duivel had gesloten. Willem werd na heel wat pijnlijke ondervragingen veroordeeld en enkele dagen later ter dood gebracht. Het hele proces werd betaald uit zijn in beslag genomen bezit.

Een uitgeknepen bevolking

Willem werd waarschijnlijk als zondebok geofferd door een overheid die nepotistisch en in zichzelf gekeerd was. De belangen van de toen straatarme Limburgers stonden duidelijk niet voorop of bestonden in het geheel niet. Burgers waren toen goed om over het bitter weinige dat ze bezaten ook nog eens belasting te betalen. Het was een verschrikkelijke tijd met grote sociale en economische problemen. Voor de gereformeerde overheid was Willem een ketter  die de strop verdiende. Willem zat lange tijd opgesloten in het oude stadhuis te Maastricht. De rechtbank liet heel wat personen waaronder zijn vrouw, naar Maastricht komen om er te getuigen. De rechtszaak verliep niet van een leien dakje. Schepen Alberti van Berg werd er door schout Milliard en procureur Vermin van beticht dat hij te nauw bij de zaak van Willem betrokken was, en zelfs mogelijk een persoonlijk belang had bij deze affaire. Alberti zou tijdens de Bergse kermis met vrouw en kinderen in de woning van Joannes Habets vertoefd hebben. En deze Joannes was weer familie van Willem Huijnen.Willem’s neef Jacobus Huijnen, was echter een halfbroer van de vrouw van Habets. Dit bezoek allen al maakte Alberti verdacht.

Alberti antwoordde dat Joannes Habets eveneens schepen te Berg was en dat hij verder als een geacht persoon bekend stond. Het was toch niet vreemd dat hij met zulk een persoon van aanzien contact had. Procureur Vermin zelf was toch ook te gast geweest bij de familie Habets. Alberti was van mening dat hij gechicaneerd werd door een respectloos persoon die “Bij sijnen schout eenen flitsdank wil verdienen, maar de eere en fatsoen van eenen secretaris en medelid van de justitie hasardeert en zijn ampt verdagt wil maaken. Het advers geratel en geloeder agter sijnen rugge tasten hem in zijn eer aan, en hij protesteert tegen de atroce injurie, en de affront die sijnen goeden naam en faam bezoedelen”. De rechtbank besloot om onpartijdige juristen naar de zaak van Huijnen te laten kijken. Er bestonden echter nog steeds geruchten over de vermeende band tussen Joannes Habets en Willem Huijnen. Alberti kon er niet meer tegen en besloot om zijn ambten neer te leggen.Willem werd ondertussen aan een nog scherper verhoor onderworpen. De rechtbank riep nu schepen Alberti er niet meer was, de hulp in van buitenschepen en secretaris Nijpels van Mechelen aan de Maas. De man werd  letterlijk ingehuurd voor extra geld.

Rechtbank tovert getuige uit doosje

In januari 1774 kwam de in Valkenburg gevangen zittende Christiaen Vlecken plotseling met een verklaring op de proppen die Huijnen nog verder belastte. Huijnen zou volgens hem in augustus 1756 (!) bij boer Walraeven aan de Maasband bij een inbraak betrokken zijn geweest. Willem werd nu naar aanleiding van de uitspraak van Vlecken door de rechtbank op leugens betrapt. Daar bleef het niet bij. In februari 1774 werd duidelijk dat ook Viltenaar Vaes Hendriks tot deze bende behoord zou hebben.Vaes was zes jaar lang dragonder geweest in het Staatse leger en bekende “zonder pijn en banden” dat hij bij een aantal overvallen op de uitkijk had gestaan. De echtgenote van Hendriks en de schepenen van Berg tekenden beroep aan tegen de vervolging van Vaes, omdat ze van mening waren dat zijn arrestatie niet op de juiste wijze had plaats gevonden. Vaes kon zijn detentie moeilijk accepteren en probeerde in 1775 zelfs zelfmoord te plegen door met een stuk glas zijn aders door te snijden. Uiteindelijk kreeg Vaes “slechts” levenslang Willem Huijnen werd ondanks alle aan hem verleende steun in de maand maart van 1774 opgehangen. Veel bezittingen had hij niet. Het ging volgens de rechtbank om “prullen en bagatellen’, die de kosten van het proces bij lange na niet zouden dekken. De echtgenote van Huijnen bleek plotseling van de aardbodem verdwenen en van de meest waardevolle eigendommen uit hun huis was maar weinig meer over! Willem’s woning met tuin werden op vijf en twintig mei 1778 publiekelijk verkocht voor zeven honderd vier en zestig gulden. Twee honderd vier en negentig gulden hiervan kwamen toe aan de heren van Justitie, dus bleef er maar vier honderd zeventig gulden over voor Rijproost Cruts van het Servaes kapittel. Deze op zijn paard rondrijdende representant van de goed in de slappe was zittende kapittelheren had echter voor acht honderd negen en vijftig gulden aan declaraties ingediend. Hij was dan ook duidelijk ontevreden met dit schamele bedrag. Of zijn declaratiegedrag terecht was, is niet meer na te gaan. In september 1775 werden het kapittel van Sint Servaes geconfronteerd met de dagelijkse realiteit van de Landen van Overmaas. De eerwaaarde heren hadden vernomen dat een beruchte bende van nachtdieven en rovers in hun eigen gebied was waargenomen. Ze waren van mening dat alles in het werk moest worden gesteld om “de menschelijcke sociëteit van dit slangezaad te wrijweren en te beveiligen”. Het “cadaver” van Willem Huijnen werd na de volstrekking van de straf met ijzeren kettingen aan de galg vastgeklonken. Zo kon iedereen dag in dag uit zien welk een slecht mens hij was geweest en wat er zou gebeuren met personen die in zijn voetsporen wilden treden!

Jo Vromen

Met dank aan het boek “Berg en Terblijt, Van twee heerlijkheden naar een gemeente” uit 1981.

Advertenties