Op de vlucht       

De naam Abraham Saint-Martin is voor het eerst terug te vinden in de Maastrichtse geschiedenisarchieven als hij in februari 1705 in het huwelijksbootje stapt met de jongedame Piernay. De schoonheid die uit het Franse Sedan afkomstig was, woonde al een tijdlang in de stad. Natuurlijk trouwden de tortelduifjes als ware protestanten in de Waalse kerk aan de Pieterstraat. Na een “inburgeringstraject” van een paar jaar zweert Saint-Martin op zestien december 1709 de eed op het burgerschap van de stad. Hij doet dat in de hoedanigheid van het gilde der “ooftmengers”. In Maastricht had dit gilde het exclusieve monopolie op het verkopen van boter en kaas. Daarnaast verkochten ze ook fruit, groente, azijn, en droge vruchten. Abraham was op dertien augustus 1671 gedoopt in de protestantse “dooptempel” van de stad Montauban. Hij was de zoon van een meesterschoenmaker en een dame die allebei uit Montauban afkomstig waren. Saint-Martin was door de vele heftige religieuze conflicten gedwongen geworden om Frankrijk te verlaten en zijn heil elders te zoeken. Hij deed het goed in Maastricht en had op een gegeven ogenblik zelfs drie huizen in zijn bezit. Als eerste kocht hij in het jaar 1731 een pand tegenover de  Minderbroederskerk dat eigendom was van een zekere Maria Verschuren. Vervolgens kocht hij vier jaar later het huidige pand Platielstraat nr.4, voor de som van 2.650 gulden. Privé verging het zijn gezin echter veel minder goed. Abraham en zijn echtgenote Marie-Marguerite kregen zes kinderen waarvan er vier zeer jong zouden sterven. Alleen de twee oudste dochters zouden in leven blijven. Hun oudste dochter, Judith Marie, zou hun veel kopzorgen geven. Dat laatste bleek uit een in het jaar 1742 bij meester Caris te Maastricht opgemaakt testament. Judith maakte in tegenstelling tot haar jongere zus Anne-Marguerite, geen deel uit van de erfenis. De reden voor de uitsluiting was dat ze tegen de wil van haar ouders gehuwd was met een zekere Jean Mathourné. Saint-Martin zou echter al binnen drie jaar na het opmaken van het testament overlijden, en werd “dans le temple”, de Waalse kerk, begraven. Zijn vrouw had het moeilijk met het feit dat haar dochter Judith niet had kunnen delen in de erfenis en besloot om haar drie weken na de begrafenis van haar echtgenoot alsnog de helft van een huis in de Leliestraat te schenken. De moeder had het pand kort tevoren door meester metselaar Nicolas Comhaire op waarde laten schatten.

Was Jean niet goed genoeg?

Waarom was haar man Jean geen goede partij voor de vader van Judith geweest? Jean vervulde toch immers de belangrijke voorwaarde het gereformeerde geloof te bezitten, en zijn vader was een gegoed lakenhandelaar in de stad Verviers. Het gezin Mathourné had het prins-bisdom Luik moeten verlaten vanwege hun overstap naar de protestantse godsdienst. Ze waren daarna zoals zo veel andere geloofsvluchtelingen in Maastricht terecht gekomen. Daar zou vader Mathourné zijn zaken op succesvolle wijze voortzetten. Met zoonlief ging echter het niet zoals het bij een in die tijd gefortuneerde familie hoorde. Hij slaagde er slechts in om  een baantje als bode voor de burgemeester te krijgen en werd ook nog organist in de Waalse kerk,. Dat waren echter functies waar de toenmalige gereformeerde elite niet echt voor applaudisseerde. In zijn persoonlijk leven kende Abraham al veel tegenslag op jonge leeftijd. Zijn eerste vrouw was al kort na hun huwelijk overleden.Toevallig maakte hij via zijn geloofsgemeenschap een tijd later kennis met de dochter van Saint-Martin. Ze raakten verliefd op elkaar, maar dat viel niet goed in de ontoegankelijke sociale klasse der hugenoten. Een meisje uit een zeer respectabele bourgeois- familie trouwde niet met een jongen die slechts een laagbetaalde overheidsdienaar was.

Daar konden zijn “ware religie” en zijn gegoede afkomst niets aan verhelpen. De twee jongelui zetten toch door en verlieten zelfs de stad Maastricht, om in 1733 zonder dat iemand het wist in een buiten de stad gelegen dorpje te trouwen. Het trouwregister van de Waalse kerk vermeldde naderhand droogjes: “Ils ont été mariés ailleurs”. Marie-Judith had veel op het spel gezet, en had voor Jean zelfs het contact met haar familie verbroken. De twee zaten blijkbaar niet stil, want ze kregen acht kinderen. Jean slaagde er in om zijn financiële en maatschappelijke positie te verbeteren. Hij werd gemeenteontvanger van de rechten van de St.Pieterspoort te Maastricht. Toch was ook deze baan geen vetpot. Het echtpaar had grote moeite om al die hongerige monden te voeden. Haar zus Anne-Marguerite zou  pas vrij laat trouwen. Ze deed dat op veertigjarige leeftijd in het jaar 1749. Maar ze bemachtigde de hoofdprijs in de vorm van Claude L’Escalier, een bankier,die slechts achtentwintig jaar oud was! In het jaar 1787 kreeg Frankrijk zijn tolerantiewet, met als gevolg dat protestantse burgers niet meer besmet waren. Korte tijd later zou de Franse revolutie beginnen, die zou ontaarden in vreselijke slachtpartijen en georganiseerde waanzin.

Maastricht,_St_Pieterstraat,_Oude_Minderbroederskerk_en_Waalse_Kerk_(Ph_v_Gulpen_,_ca_1840)

Rechts de Waalse Kerk door Ph.van Gulpen, ca.1840. Aan de linkerzijde de  Minderbroederskerk. De Roomse processie moet een doorn in het oog geweest zijn van de protestanten. Waarom hadden ze de vlag uitgestoken?

 

Advertenties