Op 6 november maakte barones de Selys in de Limburger Koerier bekend dat ze 49 olmen uit het Harenbosch te koop aanbood. Voor inlichtingen moest men zich wenden tot haar rentmeester de heer F.Lizin die op kasteel Borgharen verbleef.  Op 3 juni 1927 schreef de Limburger Koerier dat de Nederlandse Staat overging tot onteigening van een groot aantal percelen grond die toebehoorden aan de adellijke families de Selys Longchamps, de Rosen en de Brigode de Kemlandt. Deze percelen waren voor een deel gelegen op grondgebied van Maastricht, maar een groot aantal daarvan bevonden zich evenwel ook binnen de gemeente Borgharen. Het ging daarbij om percelen hakhout die waarschijnlijk in het Harenbosch gelegen waren. Waarom de Staat tot onteigening wilde overgegaan is niet op te maken uit dit artikel. Dit werd pas duidelijk uit een artikel van veertien december 1928, dat in het Limburgsch Dagblad verscheen. De onteigening had te maken met de aanleg van de scheepvaartwegen in Zuid-Limburg, en in de optiek van de gemeente Borgharen met het aan te leggen Julianakanaal. Dit voornemen viel niet in goede aarde bij de bezitters van deze gronden. Er was dan ook heel veel druk nodig om hun tot medewerking te bewegen. De Commissaris van de Koningin in Limburg was in het licht van deze maatregelen daarom namens de Staat der Nederlanden een gerechtelijke procedure begonnen tegen de betrokken families om hun overstag te krijgen.

Op het einde van het jaar 1927 kregen de bewoners van Borgharen te maken met een ongemakkelijk déja vu. De Delftsche Courant berichtte op 28 december dat de bewoners van Heugem, Borgharen en Itteren voor de zoveelste keer een paar angstige dagen hadden doorgemaakt vanwege de hoge waterstanden. Gelukkig zakte het water gauw, waardoor men aan een nieuwe ramp kon ontsnappen. De Limburger Koerier berichtte op 16 mei onder de kop “Van ’t dak gevallen”, “ dat de leidekker Art. Smeets, werkzaam aan het dak van het kasteel, een dag eerder door het breken van het touw waarmee de dakladder was vastgemaakt van een hoogte van zeven meter omlaag was gevallen.” Zwaar inwendig gekneusd, werd de ongelukkige door den Geneeskundigen Dienst naar het hospitaal Calvariënberg te Maastricht overgebracht. Woensdagmorgen was zijn toestand enigszins vooruitgaande en was de pijn in de rug iets verminderd”. Ogenschijnlijk had de dakdekker geluk gehad. In juli 1930 was er weer ruimte voor iets luchtiger zaken, zoals blijkt uit het volgende verslag uit het Limburgsch Dagblad van 28 juli 1930. “Het Gregoriuskoor gaf zondag het zomerconcert in de weide naast het kasteel. Medewerking werd verleend door de plaatselijke fanfare, de turnvereeniging „Oranje” uit Limmel en de pas bekroonde zangvereeniging „Vriendenkoor” ,eveneens uit Limmel. Het Gregoriuskoor opende met „Dominé selum fac” van Giesen en zong vervolgens „Jubilat Deo” van Pütz. Het koor bleek onder de leiding van dhr. Schouteten goede vorderingen gemaakt te hebben. In het tweede nummer haperden de tweede tenors echter. Onder dezelfde leiding speelde de fanfare „St. Corneille” eenige marsen, en het voor het klein troepje uitvoerenden zeer prijzenswaardige Vriendenkoor zong „De Hebe” van Kools en het wedstrydnummer “Laetare Jeruzalem” van Olman met groot succes. Turnvereniging „Oranje” zorgde ter afwisseling voor rekoefeningen en pyramides”. In januari  1931 bood barones de Selys alweer een groot aantal bomen te koop aan in het provinciaal dagblad De Limburger Koerier. Belangrijke verkoop bij inschrijving ten verzoeke van de Hoogwelgeboren vrouwe Barones de Selys te Borgharen van 103 Canadassen (omtrek 1.50 m. tot 2.50 m.) 9 Belbomen, 1.00 m tot 2.50 m omtrek „ 20 Eiken van 2.80 m omtrek, 27 Esschen,  1.50m omtrek, en 13 Olmen “. Biljetten moesten worden ingediend in een gesloten couvert op uiterlijk maandag 19 januari bij de heer T. Lizin, de rentmeester van kasteel Borgharen. Biljetten die later ingediend werden, kwamen niet meer in aanmerking om mee te dingen bij de inschrijving. De opening van de biljetten was gepland voor de twintigste januari. Aanwijzing van de bomen werd gedaan door dhr. H. Paulssen, de jachtopzichter van het kasteel, bij wie ook de voorwaarden voor deelname verkrijgbaar waren.

 

Wapen van het Huis de Sélys Longchamps

Afgebeeld het wapen van het Huis de Sélys Longchamps