Korte metten

Het vele onaangename nieuws moet ook bekend zijn geworden in de kringen van justitie te Maastricht, want Leonardus werd zeer kort daarna opgepakt en in Maastricht opgesloten. Op drie november 1773 zou hij de persoon die hem al lange tijd persoonlijk kende opnieuw ontmoeten. Martin Schröders trad namelijk aan bij een confrontatie met de gevangene Dahmen. De boer luchtte zijn hart en vertelde nogmaals wat hij wist. Die zelfde maand nog kreeg Dahmen te maken met welgeteld vier tortuur behandelingen van de scherprechter. De rechtbank maakte korte metten met de aangeklaagde en handelde in bokkenrijdersvaart de zaak af. Leonardus werd op elf december 1773 in Maastricht aan de galg opgeknoopt.

De verklaring van boer Schröders

In LvO 8166 kunnen we een verslag lezen van de tweede verklaring van deze boer die hij op 26 oktober aflegde ten overstaan van de schepenen Pelt en Wilmar die deze klus klaarden voor hun baas, Mr.J.G.Farjon de luitenant-hoogdrossaard. In de aanhaal wordt vermeld waarom deze man voor het Hooggerecht van de stad en de Vrijheid Valkenburg verschijnt om toelichting te geven op de vragen die beide schepenen aan hem willen stellen. Hij verklaart dat hij in het jaar 1762 op de hoeve “Aen de Handt” in het Land van Ter Heyden woonde en dat hij in dat jaar op Sint Bastiaensavond overvallen, gekneveld , mishandeld en beroofd is geworden. Deze dag viel op 20 januari en de toen nog vereerde heilige was een christen en martelaar uit de derde eeuw, die in het Circus van Rome werd dood geknuppeld. Martin verklaarde dat hij vele bendeleden had gezien, maar er slechts eentje had kunnen herkennen. Daarbij ging het om Leonard Dahmen die in Aken “Kaiser Carol” gedragen had in de processie.

Dahmen was volgens hem geen onbeschreven blad. Hij zou ook al eens een kalf gestolen hebben op de “Koller Steenwegh”. Deze grote en sterke kerel woonde tegenwoordig in Maastricht, en had nog een neef met de naam Clermonts die “op Vranckenbergh op Sint Tolbergs Steenwegh” woonde. Verder vertelde hij “ dat voormelde Leonard Dahmen in sijn huijs voor ’t vuur stond s’nagh als den diefstal gebeurde, hebbende eene vossen vellen muts om, en hebbende een greijsen peijen rock aan. Als wanneer hij deponent door vier anderen uijt sijn camer gesleijpt was, die hem knevelden en bonden, soo dat voors. Dahmen eenen meede was die het commando over de andere dieven voerden.”
Nogmaals vertelde hij dat hij Dahmen persoonlijk zeer goed gekend had. Na afloop van de vragen las een van de schepenen woord voor woord aan hem voor wat hij gezegd had, waarna de boer die de eed had afgelegd in handen van schepen Pelt verklaarde dat hij het volledig eens was met de schriftelijke weergave van hetgeen hij gezegd had, waarna hij het document ondertekende.

Bronnen: Anton Blok, Bokkenrijders en afstammelingen