De spelling in vroeger eeuwen

De spelling in vroeger tijden verdient in dit boek zeer zeker extra aandacht. Wie in archieven duikt of zich bezig houdt met afstamming, ziet dat namen op allerlei wijzen werden gespeld. Het Middel-Nederlands, de taal die globaal genomen tussen 1150 en 1500 gebruikt werd, kende nog geen vaste grammatica. Teksten werden in de regel geschreven in het dialect van de auteur. Aan de hand van de in manuscripten gebruikte taal, kan men vaak zien of een tekst afkomstig is uit Limburg, Brabant, Vlaanderen of Holland. Op grond hiervan is het niet vreemd te veronderstellen dat de spelling van het Middel-Nederlands veel streekgebonden varianten vertoonde.
Toch was er in zekere zin geen sprake van een onoverzichtelijke chaos. Een toenmalige schrijver bleef binnen dezelfde tekst meestal redelijk consequent. We zien echter wel het ontstaan van een aantal regionale voorkeuren in plaatsen waar daadwerkelijk veel op schrift werd gezet. Zo schreven de klerken in Amsterdam in de veertiende eeuw meestal “lant”, die in Utrecht echter, “land”(1). Het moderne systeem van het korter of juist langer maken van klanken was toen ook al bekend. Zie hiervoor b.v. de vormen tel-len en sla-pen in Karel en de Elegast. De spelling van die tijd was zuiver fonetisch. Dat wil zeggen dat de geschreven vorm in de eerste plaats werd bepaald door de klank van het woord. Woorden werden dus vaak geschreven zoals ze werden uitgesproken.

Het Nederlands werd vanaf het begin opgeschreven in het Latijnse alfabet. De Nederlandse variant hiervan kende oorspronkelijk 23 letters: a, b, c, d, e, f, g, h, i, k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, v, x, y, z. Pas in een later stadium kwamen hier ook nog de letters j, u en w bij. Meer eenheid op dit terrein zou er pas ontstaan toen omstreeks het midden van de vijftiende eeuw de boekdrukkunst uitgevonden werd. Pas in het jaar 1550 kwam de Gentse drukker en onderwijzer Joos Lambrecht met een eerste Nederlandse spellingsverhandeling, waarin hij een op zowel uitspraak als morfologische gelijkmatigheden gebaseerde standaardspelling voorstelde. Zijn voorstellen leidden overigens niet tot een uniforme spelling voor alle bestaande varianten van het Nederlands uit die tijd. Het verband tussen spelling en uitspraak werd veel sterker aangehaald door Pontus de Huyter in het jaar 1581(2). Hij was iemand die al schrijfwijzen als mens in plaats van mensch en wil in plaats van will voorstond. Hendrik Laurensz. Spiegel formuleerde in 1584 in zijn geschrift “In Liefde Bloeiende”, een aantal spellingregels die zo uniform mogelijk moesten zijn en die tegelijkertijd zouden aansluiten bij de bestaande traditie(3) Dit hield onder meer het schrijven van een enkele klinker in open lettergrepen en het gebruiken van accenten om klankverschillen te duiden in. In het jaar 1624 publiceerde Anthonis de Hubert zijn vertaling van de “Psalmen van David”, waarin hij morfologisch consistentere schrijfwijzen als “duegd “ vanwege het meervoud met een d -, voll en veele had gehanteerd(4.) De Huberts vriend Samuel Ampzing was het in grote lijnen met hem eens, maar bepleitte tegelijkertijd een spaarzaam gebruik van schrifttekens. De Statenvertaling van de Bijbel uit het jaar 1637 die in opdracht van de Synode van Dordrecht gemaakt was, had mede tot doel om de spelling van het Nederlands te standaardiseren. Uiteindelijk is daar weinig van terecht gekomen. Waarschijnlijk was dat te wijten aan het feit dat de vertalers onderling geen echte afspraken hadden gemaakt en soms verschillende spellingen van hetzelfde woord bleven hanteren. Gelijkvormigheid speelde niet of nauwelijks een rol. Zo werd bijvoorbeeld “hant en goet” geschreven naast de verbogen vormen van deze woorden op -d.
Wie bij het doorlezen van dit boek dus op allerlei verschillende schrijfwijzen van namen van adellijke geslachten, eigennamen of aardrijkskundige namen stuit, moet er zich van bewust zijn dat deze niet verzonnen zijn door de schrijver, maar dat de gehanteerde schrijfwijzen rechtstreeks uit de daaraan verbonden akten of tekstpassages stammen. De eerste officiële regeling van de spelling in Nederland dateert pas uit het jaar 1804, de tijd van de Franse bezetting. Onder het Franse revolutionaire wind slaagde men er in het Bataafse Gemenebest in om te komen tot een spelling en een grammatica. De Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek werd in 1801 gevraagd om een uniforme spelling op te stellen(5). Hij werd geassisteerd door de predikant Petrus Weiland die bij die gelegenheid verzocht werd een grammatica te schrijven(6).

Noten
1 De Nederlandse spelling door Anneke Neijt, 2007.
2 Pontus de Huyter (ook wel De Heuter; gelatiniseerd tot Pontus Heuterus) (Delft, 1535 – Sint Truiden, 9 augustus1602), was een Nederlands theoloog, historicus en humanist.
3 Spiegel was een van de belangrijkste Amsterdamse schrijvers en denkers uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Traditioneel wordt hij gezien als een wegbereider van de Gouden Eeuw van Vondel, Hooft en Huygens. Hij schreef boeken over spraakkunst, logica en retorica.
4 Anthonis de Hubert: 1624, “A. de Hubert,” Noodige waarschouwinge aan alle liefhebbers der Nederduijtze tale”.
5 Siegenbeek: Verhandeling over de Nederduitsche spelling ter bevordering van de eenparigheid in dezelve, 1804.
6 Petrus Weiland: ‘Nederduitsche Spraakkunst, door P. Weiland, uitgegeven in naam en op last van het Staatsbestuur der Bataafsche Republiek. Te Amsterdam, bij J. Allart. 1805. In gr. 8vo. Behalve het Voorberigt enz. 328 bladz.”