Rampspoed over Maastricht in de 17e eeuw deel 6

Kerktoren Meerssen komt naar beneden

Juli 1646 werd gekenmerkt door een enorme tropische hitte. Wel vijftien arbeiders op de velden buiten de stad lieten het leven tengevolge van de extreme warmte. De weersomstandigheden werden steeds extremer, want in hetzelfde jaar vroor de Maas opnieuw dicht zodat men er met slee en al over heen kon gaan. Een stormwind zorgde er in mei 1648 voor dat het veer bij Maaseik zonk, waarbij 41 mensen verdronken. Een dik half jaar later was een “vehementen windt” er de oorzaak van dat de toren van de kerk in Meerssen omwaaide.

1658 schijnt een bijzonder en bewogen jaar geweest te zijn. De Maas zorgde in Luik en Maastricht voor grote schade. Huizen dreven weg, mensen konden niet meer zeggen waar hun huis had gestaan, en zelfs de rivier de Jeker ging buiten zijn oevers en liep de langs het O.L.Vrouweklooster de huizen van de kanunniken binnen. “Den grooten winter” van dat jaar schijnt zo fel, ongemeen koud en langdurig te zijn geweest, dat neuzen en oren van mensen bevroren die het waagden buiten te komen. Volgens de kroniekschrijver is het “waerachtig het jaer van wonder geweest”!

Wikken “wegen”!

De winter van 1660 naar 1661 schijnt zacht te zijn geweest, maar wel zeer mistig, met veel regen en wind, mat, bedroefd, en nevelig om maar eens enkele veel gebruikte termen aan te halen. Het weer was zo laf en ongezond dat veel mensen, oud en jong, het loodje legden ten gevolge van hevige koortsaanvallen. Niemand in de stad kon zich nog zo een “slappen” winter herinneren. Een gevolg hiervan was dat de stand van de rivieren weer extreem hoog werd. Noodzakelijke levensmiddelen waren bijna onbetaalbaar. Tarwe, rogge, gerst, spelt, waren niet te betalen. De burgers moesten noodgedwongen erwten en wikken*  eten.

In augustus 1663 regende het zo hard dat het marktschip van Luik naar Maastricht twee dagen lang niet kon uitvaren vanwege het hoge water. In Brabant zorgde de regen ervoor dat de zomervruchten kapot gingen en de mensen hun beesten moesten verkopen omdat ze niet meer aan wintervoer konden komen. Alles was vernield door de hevige regens.

  • Wikken: Een gewas dat voor een goede bodembedekking zorgt

Nedercanne en zijn lindeboom

Lekker onder de lindeboom

Onze Germaanse voorouders hechtten er uit godsdienstige overwegingen aan om recht te spreken in de open lucht op de plek waar ze ook hun offers aan hun goden brachten, en die daarom voor hun heilig was. Vaak werd er recht gesproken in een bos, op een berg, of op een hoger gelegen heuvel, of bij een bron die aan een van hun goden gewijd was. Deze gebruiken bleven zelfs nog bestaan in de tijd van de kerstening. Toen de bevolking alsmaar groeide en er dorpen ontstonden, koos men een schaduwrijke boom uit die als symbool voor het bos stond om er de “gerichten” te houden. De boom beschermde de rechters tegen regen, felle zon en mogelijke andere ongemakken De Franken in onze streken gebruikten hiervoor bijna uitsluitend de lindeboom. De rechters namen er onder plaats, spraken hun vonnissen uit en de inwoners van het dorp vergaderden er over de alledaagse zaken in hun gemeente. Zo kreeg de stad Maastricht pas in het jaar 1229 het eerste rechtshuis of pretorium. De dorpen in de verre omgeving zouden hun rechtsgedingen pas veel later onder een dicht dak gaan afwerken.

Eerbied voor de lindeboom

De burgers zouden de eerbied voor de aloude lindeboom nooit verliezen. Men liet hem gewoon staan, en als hij aangetast door de tand des tijds de strijd verloor, plantte men gewoon een nieuwe boom. In de 19e eeuw hadden vele Limburgse dorpen op de markt of op openbare plekken nog een lindeboom staan. Valkenburg kent nu nog het eetrestaurant “Onder de Linde” als herinnering aan deze tijden. In deze eeuw bevond zich in Nedercanne nog een lindeboom op een open plaats bij de kapel van het H.Graf.  Bij deze boom werden in voorbije eeuwen verordeningen,bevelen, en regels afkomstig van de Heer van Nedercanne aan het volk bekend gemaakt.

Uit oude documenten blijkt dat deze plek expliciet vermeld werd. In 1487, “aen dye lynde”, in 1647 in het Frans, “au thioul”, en in 1655 als “ au tilleud”!  Het was de taak van de lokale gerichtsbode om deze plakkaten op de boom te bevestigen. Toen in het jaar 1509 een reusachtige storm de boom om deed vallen, gaf de heer van het dorp Johan van Piteit ( Pité), opdracht aan zijn bode om een nieuwe boom te laten planten. Het schepengerecht tekende deze actie als volgt in de registers op: “nadat de oude linde omgewaaid was, plantte de bode Peter Jekermans op bevel van zijn heer op de 15e dag van december in het jaar 1509 een nieuwe uit herinnering aan de oude boom”. Het is me niet duidelijk of de plek waar nu een boom  met zitbank in een ronde kring schuin tegenover café-restaurant “In Kanne en Kruike” staat,ook de oorspronkelijke lokatie is geweest van de gerechtsboom van Nedercanne. Wie kan het zeggen?

Rampspoed over Maastricht, de 17e eeuw, deel 5

De “heete cortse”!

In de jaren 1632- 1633 stierven in Maastricht tengevolge van de “heete cortse” en de pest tussen  de resp. drie duizend en  veertienduizend burgers, waaronder vele vrouwen, kinderen en soldaten. In 1634 waren de prijzen van levensmiddelen zo gestegen dat ze voor de arme burgers niet meer te betalen waren. In het midden van januari 1635 begon het zo streng te vriezen dat de Maas zelfs onder de brug dicht vroor, en de mensen van de ene kant naar de andere kant konden lopen. Op de derde februari begon het ijs door al het sneeuwwater snel te breken. De brug kreeg het hard te verduren, en de mensen vreesden dat ze “omverre gedreven” zou worden, want “sij daverde”!! Door de kracht van het ijs werden wel twee schipmolens in de Maas naar de kant gedreven. Twee dagen later stond het Maaswater een voet onder de top van de stadsmuur.

In april 1640 dacht men dat de wereld verging. Een aardbeving in de nacht van vier april zorgde er voor dat de mensen  in grote “benautheidt” hun huizen verlieten en als dollen door de straten gingen rennen. De grote schrik verdween echter, toen er na een paar nabevingen niets meer gebeurde. Exact twee maanden later, ontstond er een reusachtig noodweer dat om tien uur in de voormiddag begon en tot het middaguur zou duren. De burgers “meynden te sterven”! Uit Dinant hoorde men korte tijd later dat er veertien huizen “door ’t water dat van ’t gebrechte aff quam” waren weggespoeld. Dertien mensen verdronken bij deze ramp, en men kon niet eens meer zien waar de huizen hadden gestaan.

Ramp te Hoei

In juni 1641 liep de rivier de Hoyaul bij Hoei over, zodat alle huizen van de kooplieden onder water kwamen te staan, en veel van hun goederen onbruikbaar werden. Zelfs het stadhuis was “meer dan halff wech gedreven met alle pampieren ende processen”, hetgeen menigeen blij maakte, maar bij anderen voor droefenis zorgde. Het water kwam met zo een onverwachte kracht, dat velen het leven lieten. De winter van 1645 bleef in Maastricht en omstreken geheel sneeuwvrij. In juni 1645 lag er een groot onweer met hagelbuien van Borgharen tot aan Bilsen, Aldenbiessen tot in de Kempen.

De vruchten op de velden lagen erbij alsof ze met “een capmes gehackt waren”. Huizen en schuren waren door de stormwind tientallen meters verplaatst en vele bomen waren “uijtter aerde geslagen”. Op sommige plekken zou de opgewaaide hagel zes voet dik gelegen hebben. Brrrrr!!!

Spanjaarden slachten Maastrichtse bevolking af in 1579

Gruwelijke taferelen

Het jaar 1579 is in de Maastrichtse geschiedenis tot een grote zwarte bladzijde geworden. Het beleg van de stad, begonnen op acht maart onder aanvoering van graaf Alexander Farnese, zou meer dan drie en een halve maand duren. Na de inname van de stad gaven de Spanjaarden, geprikkeld door het verzet van de burgers en de garnizoenssoldaten, zich over aan driedaagse vreselijke moordpartij die ongeveer 1000 mannen, vrouwen en kinderen het leven zou kosten. De eerdere getallen van 4000 of meer werden door de protestanten uit de Republiek der Nederlanden uit propaganda overwegingen sterk overdreven.  Hoewel Farnese, later bekend als de hertog van Parma, hierna wel  op strenge wijze zijn soldaten een dergelijk optreden verbood , was het grote kwaad al geschied.De Spanjaarden zouden overigens tot aan het jaar 1632 de stad bezetten. De burgers die de slachting overleefd hadden, werden door de Spanjaarden tot “buit” verklaard.

Vooral de Duitse en Waalse huurtroepen in Spaanse dienst hebben zich toen op gruwelijke wijze misdragen. Met name vrouwelijke inwoners werden op walgelijke wijze achtervolgd, verkracht en vermoord, en daarna uit hun huizen naar beneden op straat geworpen. De Walen maakten gebruik van de grote ellende en chaos om de plaats in te nemen van de vermoorde Maastrichtse burgers en zich blijvend in de stad  te vestigen. De ingezetenen die tot buit verklaard waren, moesten zo gezegd letterlijk hun eigen leven terug kopen. Overigens werd het bedrag dat daarvoor stond door de Spanjaarden op sluwe wijze gekoppeld aan de positie die ze in het maatschappelijk leven innamen.

Broedertwist in Nedercanne

Uit een van de bewaard gebleven gichtregisters van het dorp Nedercanne ( nu Belgisch Limburg) blijkt hoe een en ander in zijn werk ging. Een zekere Servaes Caltenborch uit dit dorp had voor zijn broer Anthonis in 1579 een “rantsoengelt” van 100 “pistolette croenen” betaald. Dit was de afkoopsom die hij aan de Spanjaard betaalde om zijn broer weer een vrij leven te bezorgen. Toen zijn broer het door Servaes voorgeschoten bedrag niet kon terug betalen, raakten de twee ernstig gebrouilleerd. Hun ruzie zou duren tot aan de dood van Anthonis in 1607.

Servaes gaf niet op, en vorderde onmiddellijk het geld terug van de kinderen en erfgenamen van Anthonis. Het betrof hierbij de dochters Margareta en Catharina. De eerste was de weduwe van Andries van Stockhem, en de laatstgenoemde was op dat moment gehuwd met Balthasar van Elsrack en woonde in Hasselt. De zaak zou zich jaren lang voortslepen. Uiteindelijk werd er in 1614 een overeenkomst bereikt voor de rechtbank van Nedercanne. De daar verschenen Margareta droeg er mede namens haar zus een half bunder akkerland dat gelegen was aan de Susserweg over aan haar oom Servaes. De waarde van het land werd geschat op 185 gulden Brabantse koers, en zou dienen als afkoopsom voor de uitstaande schuld  inclusief de opgebouwde rente. De zaak was nu uit de wereld, en wellicht hebben ze weer in “pais en vree” met elkaar kunnen omgaan.

Maastricht 1581 Guiccardini 23x32gecorrWR_ad2e9fa6ce8137c4f5014c1cd9a2c393

Maastricht in de Spaanse tijd; een kaart uit 1581 van Guiccardini.

Rampspoed over Maastricht deel vier, de 16e eeuw

Wie het breed heeft laat het breed hangen

Op St. Servaasdag 1502 lag de sneeuw meer dan drie voet hoog in de stad. Alsof dat nog niet genoeg ellende betekende, zou het vervolgens tot de 12e juni gaan vriezen. Het moet een verschrikkelijk jaar geweest zijn, want de regen die op de eerste juli begon hield extreem lang aan en zorgde voor een grote sterfte onder de dieren. De jaren 1504 en 1505 zouden naast een paar aardbevingen ook voor een akelige ziekte zorgen die inwoners een erge hoest bezorgde waaraan ze dood gingen. Op Maria Magdalena dag 1505 werd de brug bij de Coolpoort weggeslagen door het sterk gestegen water van de Jeker. De winter van 1512 was “gezegend” met veel sneeuw en was ook extreem vochtig waardoor de stad weer met een aanval van de pest te maken kreeg.

Volgens de kroniekschrijver “starff bij nae de geheele stadt” in het jaar 1531 aan de pest. 1523 bleek een ongeluksjaar voor de wijnliefhebbers te worden. Tengevolge van strenge vorst waren alle wijngaarden “bedorven” en moesten “tegens d’ander jaer” nieuwe wijnstokken geplant worden. Het jaar 1538 werd gekenmerkt door een besmettelijke ziekte die mensen zware buikloop bezorgde. Het was net alsof ze de pest hadden. Een paar later bleek de wijn plotseling goedkoop te zijn geworden. Een pot wijn van het eigen huismerk kostte een stuiver. De Maastrichtse VIP’s kochten echter gezien hun ruime beurs Franse wijn, die vier stuivers de pot kostte. Die goedkope wijn kon hun de pot op!!

In 1552 waaiden zelfs de bomen uit de aarde tengevolge van een “grooten wint”, zeven jaar later viel er letterlijk “hagelslach”, zodat vele mensen en dieren omkwamen. Er was in 1566 sprake van een nieuw record. De Maas vroor in dat jaar “tot drie keren toe”!! De Maastrichtse overheid kocht overigens veel koren op in de buiten de stad liggende gebieden, waardoor de prijs van een brood voor de mensen enigszins betaalbaar bleef. In hetzelfde jaar zou het Land van Luik door de graaf van Alva “verdestrueert” worden en brak zowel in Luik als Maastricht weer eens de pest uit “tengevolgen” van de belabberde hygiënische toestanden.

Kerken hebben “natte voeten”!

In 1571 kregen alle kerken binnen Luik “natte voeten”door het extreem hoge Maaswater. Acht jaar later dook de pest weer op, en alle vruchten op de velden gingen kapot omdat niemand ze meer kon verzorgen. Een zware donderstorm zorgde er in 1592 voor dat de kerk van Thienen helemaal afbrandde. Gelukkig bleven de nabijgelegen huizen schadevrij. Een vat rogge kostte in deze dure tijd veertien gulden!

In een oud doopboek van de parochie Heerlen uit 1606 valt het volgende te lezen: “Anno 1606 op Pawsz Maendach naemiddag umbrint twee uhren is alsoe einen groiten windt und uenweder gewest dat Herlen kirchtorn aef fiel, dat gewolft entweij und gantz te baudem, hauser ende baum all te nieder, in summa alsulch unweder und tempest wasser dat men anders niet en meinden die gantze welt sol vergangen hebben”!!

Kerktoren, zijschepen, huizen en bomen legden het loodje en iedereen dacht een enkeltje hiernamaals te ontvangen. Het moet wat geweest zijn in de toch al beroerde omstandigheden waarin de gewone burger moest overleven. Adel en kerk hadden het zoals nu de huidige elite heel wat makkelijker.

Rampspoed in vroeger eeuwen ( Maastricht 14e en 15e eeuw) deel 3

Trieste dood kersvers echtpaar

Er gebeurden net zoals nu tragische zaken in deze tijden. Maastricht werd in 1382 opnieuw door een aardbeving getroffen, maar nog erger was de vernietigende uitwerking van de pestuitbraak! Een man en een vrouw die een dag eerder getrouwd waren, werden een dag later dood aangetroffen. Slachtoffers van de pest!! Drie jaar later had de stad en haar ommelanden te maken met een ongekende droogte in de zomermaanden. Het was zo erg dat het koren op het land letterlijk verbrandde, met als gevolg schaarste en hongersnood. De kers op de zure taart werd gevormd door een nieuwe aardbeving. In juni 1393 werd de toren van de St.Janskerk in Maastricht geveld door een harde storm en was er op acht juni nogmaals een aardbeving. In Luik viel toen de stadsmuur om aan “St.Marten en mont”.

Dat de pest toen grote aantallen slachtoffers maakte, blijkt uit een dodental van 6000 dat in Hoei in het jaar 1398 viel. Ook de stad Luik telde een onnoemelijk groot aantal doden, waaronder alle 16 eerwaarde pastoors. Een jaar later viel er zoveel sneeuw, dat de mensen dachten dat de wereld verging. Daken van huizen en schuren zakten in door het gewicht van de sneeuw. Toen de sneeuw begon te smelten dreigde een nieuwe ramp, het stijgende Maaswater. Burgers konden zich slechts redden door zich”op solders te salveeren”! In het jaar 1401 sloeg de duivelse pest weer toe. In de stad Luik vielen toen 12.000 doden, maar ook Maastricht kreeg haar deel. De winter van 1406 op 1407 was erg koud. Het vroor van de 23e november tot in februari van het volgende jaar. In 1408 was het Maaswater zo hoog dat de bruggen van Jemep, Seraigne, Wesent en d’Amercourt wegdreven in het onstuimige water. Ook de brug van Maastricht leed nu grote schade.

Muizen dansen in het veld

In 1410 hadden de mensen te maken met een andere plaag. Nu eens een keer geen hoog water, geen pest of aardschokken, maar een ware muizenplaag van Egyptische omvang, die op alle landerijen het koren vernietigde. In 1434 was er een “continueerlick gevroes van November tot en met Martio”. Toen de vorst verdween door de overvloedige regens “verdroncken een menichte van huijsen”!! Vier jaar later zorgde een ziekte in het koren en de wijn voor zulke honger dat vele mensen dood gingen. De grootste ramp zou zich in 1439 in Luik voltrekken. Daar stierven 20.000 mensen aan de pest. In mei 1444 bleef de vorst aanhouden tot in de maand mei waardoor alle vruchten op het land en in de wijngaard kapot gingen.

Opvallend was de grote sterfte in Maastricht in de winter van 1451, ondanks het feit dat het maar een regenachtige winter was, zonder veel vorst. Waarschijnlijk zorgde het zachte weer voor vele ziektekiemen die een dodelijk uitwerking hadden op het toch al zwakke gestel van de meeste mensen in die tijd. Een koortsaanval was meestal al fataal. Ook in de jaren daarna zouden periodes van extreme droogte, hoge waterstanden,pest, grote hitte, en ziekten van de gewassen op het land nog veelvuldig voorkomen. In 1488 was de hongersnood zo erg, dat mensen genoodzaakt waren gemalen stro te eten. Of de burgers gingen hallucineren is niet bekend, maar sommige inwoners dachten wel drie zonnen tegelijk te zien.

Het begin van de jaren negentig  van de 15e eeuw werd gekenmerkt door storm,donder, hagel en  strenge vorst, zodat 40 mijlen in het rond het koren bedierf. De vallende hagelstenen werden beschreven als “dicker en grooter als hoendereijers”!!

Rampspoed over Maastricht in vorige eeuwen (de regio Luik 11e -15e eeuw), deel 2

Mobiele monniken

Vele berichten zullen door monniken die van klooster naar klooster reisden zijn overgebracht, maar ook door bodes die in opdracht van hun heer op reis moesten. Onder deze mensen was de mobiliteit groter dan onder de “normale”burgers.

In het jaar 1047 dreef de brug in Luik door het hoge water weg. De brug over de Maas werd daarna uit voorzorg tien voet hoger gemaakt. In 1052 waren alle vruchten met pitten besmet geraakt, zoals “keersen, peerskens, abricosen, en pruijmen. Vele mensen werden na het eten van dit fruit ernstig ziek en stierven. Op een mei 1111 dachten de inwoners van Luik een stem uit de “lochte” te horen. De “stem”ging vergezeld van een donderstorm die de wereld leek te laten vergaan. Daarboven op kreeg men nog te maken met een aardbeving waardoor huizen en muren scheurden, en er zulk een stank ontstond dat mensen water over de straten moesten gieten om de stank te verdrijven.

In de maand daarop regende het zo ongenadig hard dat vele huizen met mannen, vrouwen en kinderen erin wegdreven. De dag erna trof een hevige bliksem de St.Lambrechtskerk in Luik waarbij drie kerkgangers tijdens hun devoot gebed gedood werden. In 1174 stond er zulk een “vehementen” wind  dat vele kastelen en huizen omver geblazen werden en mensen letterlijk op straat omvielen. In 1198 was er een grote droogte gevolgd door hongersnood. De Luikse geestelijkheid organiseerde een processie om God te smeken dat deze rampspoed voorbij zou gaan.

Ongekende sneeuwmassa’s

In het jaar 1204 sneeuwde het zo lang, dat de sneeuw vijftien voet hoog kwam te liggen. 32 jaar later dreven 309 huizen in Hoei weg door de kracht van het hoge Maaswater. In het jaar 1257 kon men met bootjes over de Luikse markt varen en een jaar later, werden vele dieren in de weiden gedood door enorme hagelstenen. Zelfs de vogels in de lucht werden dodelijk getroffen. In het eerste decennium van de 14e eeuw was er sprake van grote droogte, bevroor de Maas met alle zijrivieren regelmatig, en kon er maanden lang geen meel aangevoerd worden, zodat de inwoners grote honger leden. In het jaar 1308 werden er in Dinant 24 huizen door het water weggespoeld, en verdronken vijftien mensen, elf koeien en vier paarden.

Twee jaar later bereikte het Maaswater te Luik de derde trap van de perroen*, zodat een deel van de brug wegdreef. In 1315 regende het bijna het hele jaar. Met als gevolg een misoogst en alsof dat nog niet genoeg was, waren er ook nog stormen en aardbevingen. In het jaar 1361 vroor het 15 weken aan een stuk. Twee jaar later sloeg een ander noodlot, de pest, toe in Luik. De 1000 mensen die al besmet waren, konden niet meer gered worden. Later in het jaar begon het met Allerheiligen te winteren, iets dat zou voortduren tot in maart, zodat “den wijngaert ende nootelaren bedorven waren”, en omgekapt moesten worden. In 1374 steeg het Maaswater zo sterk, dat het het altaar in de Luikse Predikherenkerk bereikte.

Perroen: Hardstenen zuil en een symbool voor vrijheid, autonomie en gerechtigheid.

 

 

Prins van Oranje komt lekker eten op Maastrichts stadhuis in oktober 1751

Schout en trawanten bewaken Maastrichtse VIP’s

De Maastrichtse magistraat had van een bode vernomen dat de prins zijn tijdelijk verblijf Aken in de vroege ochtend van vier oktober 1751 verlaten had, en tussen elf en twaalf uur te Maastricht zou arriveren. Ze waren in rep en roer, want prinselijke visite stond niet elke dag op het menu. Zowel de leden van het Luikse als het Brabantse stadsbestuur hadden zich al vroeg naar het stadhuis begeven, om vandaar uit in elf koetsen door de Nieuwstraat, langs het Oude Stadhuis door de Brugstraat naar de oude Wijkerpoort te rijden om daar Zijne Hoogheid een plechtige ontvangst te bereiden. De stoet werd aangevoerd door onderschout Lindeblat, die vergezeld werd van vier trawanten met bajonet op de snaphaenen. Daarachter liepen drie hellebaardiers die elk een oranje kokarde aan hun hoed hadden, waarna de eerste koets kwam met daarin de twee vice-hoogschouten Colette en Bogaert zaten. De koets werd aan elke kant begeleid door een hellebaardier.

De volgende koets werd bemand door de twee burgemeesters, die vergezeld werden van hun boden die allen een zwaard droegen. De andere koetsen vervoerden de overige notabelen, zoals de commissarissen instructeurs, de raadsleden, en de pensionaris. Allen werden begeleid door knechten met eveneens oranje kokarden aan de hoed. Het gezelschap trof buiten de Wijkerpoort de reeds gearriveerde militaire toppers aan, waaronder Gouverneur baron d’Aylva, commandeur Lindeman, generaal Nivel en de overige hoogstaande militairen.

De Prins bereikte mooi op tijd om half twaalf de afgesproken plek in een met zes paarden bespannen koets, waarna de gouverneur een welkomstrede hield, die gevolgd werd door een loffelijk compliment voor de prins, die dat zeer “gratieuselijck” beantwoordde. Het gezelschap trok daarna onder aanhoudende heil- en vreugdekreten de stad binnen en reed naar ’t Hof aan de Bouilonstraat. De prins aanschouwde daar vanaf het balkon het défilé van het garnizoen, en beloofde alles in het werk te stellen om de welvaart van de stad zowel in het algemeen als voor iedereen “int’particulier” te willen bevorderen.

Stadhuis wordt opgepimpt

De prins zou de volgende dag met zijn meegereisde generaals en ministers op uitnodiging van het bestuur het middagmaal op het stadhuis gebruiken. Het gebouw was versierd met heel veel oranje, en vanaf het bovenste balkon speelde een orkestje met timbalen, waldhorens en hobo’s tot in de late avond. Volgens de stadsrekening werden ze daarvoor beloond met tien pattacons. In het stadhuis zelf waren de twee kamers van de griffier evenals de ruimte van de cipier ingericht als keuken.  De vestibule was rondom versierd met “bougies”, en er was gezorgd voor een wacht bestaande uit 24 manschappen die verspreid alle kamers in het gebouw inspecteerden, zodat er geen ongewenste “feestgangers” konden binnen komen. Toen de prins om drie uur in de namiddag in zijn koets met zes paarde aankwam, werd hij onder aan de trappen van het stadhuis door de vice-hoogschouten en de burgemeesters ontvangen en naar de prinsenkamer geleid. Hij zou daar korte tijd verblijven waarna hij naar de raadskamer liep, waar al voor 22 personen gedekt was.

De prins nam er plaats met zijn gezicht naar de schoorsteen gewend. Aan zijn rechterzijde zaten de gouverneur de hertog van Wolfenbuttel, generaal Trips, commandeur Lindeman, en de prins van Stolberg. Links van hem hadden de prins van Lichtenstein, de prins van Baden Dorlach, generaal Pretorius, en generaal Grovenstein plaats genomen. Tegenover hem zaten de hoogschouten, de burgemeesters en zijn persoonlijke secretaris. Er waren nog twee andere tafels gedekt in de burgemeesterskamer en de audiëntiekamer. Deze tafels waren bestemd voor de leden van de gemeenteraad, de generaals in een lagere rang en een aantal kolonels. In de raadskamer en de burgemeesterskamer had men buffetten opgesteld, waar bodes de daarop staande spijzen aan knechten overhandigden. De prins had de beschikking over twee aparte pages die enkel hem bedienden.

Het menu telde drie gangen met een dessert. Voordat het dessert opgediend werd, haalde men het bovenste tafellaken weg. Daaronder bevond zich een schoon laken. De tinnen borden werden nu vervangen door borden van porcelein, waarbij zilveren banketmessen, vorken en lepels gelegd werden. Ondertussen zorgde een salonorkestje van “uytgelese musicanten” voor de nodige muzikale verpozing. De gage van het illustere gezelschap bedroeg voor de vier uurtjes tussen drie in de namiddag en zeven in de vroege avond 440 gulden, een top gage dus!

Hopelijk geen “chateau migraine”als cadeau

De prins vertrok na het dessert naar zijn verblijf, en zag buiten gekomen een prachtig verlichte markt. Misschien zag hij wel dubbel, want uit een opgave blijkt dat het gezelschap 50 flessen bourgogne, 25 flessen champagne,drie amen Moezel- en Rijnse wijn, en nog tientallen andere flessen wijn burgemeester had gemaakt, waaronder de soorten cap rouge, cap blanche, St.Laurent, Tockey, en Lunet.  De prins zou op acht oktober via Tongeren naar Den Haag gaan. Alvorens hij om negen uur in de ochtend vertrok, werd hij begeleid door 90 kanonschoten driftig uitgezwaaid door alle lokale hotshots en het juichende Maastrichtse volk. Als afscheidscadeau kreeg hij nog een grote hoeveelheid Rijnse wijn ter waarde van 3100 gulden (!!!) cadeau. Dit leuke extraatje zou hem overigens nagezonden worden, want de prins ging eerst nog naar Tongeren waar hem een etentje bij de bisschop wachtte. Op 10 oktober zou hij Den Haag bereiken om daar uitgeput in zijn luie stoel te vallen. Het populaire liedje “De prins komt, Godt geeft hem zegen, geboomte springht van vreugt, wie hem niet is genegen, besit geen ware deugt enz” zou nog lang in de lokale Maastrichtse Top 10 verblijven.

Rampspoed over Maastricht in 9e,10e en 11de eeuw

Het Maaswater als vijand

Uit oude handschriften blijkt dat de natuur in vroeger tijden ook al op onvoorspelbare wijze  zijn werk deed. In het jaar 877 stak er zulk een krachtige wind op in de maand april dat “veele huijsen en schouwen zijn afgewaijt”. Een jaar later vond er een zware aardbeving plaats die vergezeld ging van “donder, blixen en tempeest”, waarbij huizen en kastelen vernield werden, alle vruchten op aarde bedorven en er een grote hongersnood ontstond met vele doden ten gevolg. In 881 was het water van de Maas zo plotseling gestegen dat 1500 mensen verdronken. Dat was ook het geval in 934, maar toen vroor de rivier ook nog eens dicht tot in maart 935. Het weer schijnt daarna zo opgeknapt te zijn, dat men al in mei brood van nieuw koren kon eten, en nieuwe wijn met Maria Hemelvaart!!! Twee jaar daarna regende het van St.Jansdag ( 24 juni) af tot in augustus, zodat alle vruchten op het land verrotten. Zelfs de druiven in Frankrijk en Duitsland legden het loodje, en alles werd zo duur, dat men in Luik 12 gulden voor een vat koren moest betalen.

De winter van 937 was zeer streng. Hij begon al op St.Maarten, en zou duren tot in februari. Het koren schijnt daarna zo overdadig gegroeid te zijn dat men al een Luiker vat voor 18 stuivers kon kopen. Het jaar 938 was een rampjaar. Er werden zoveel mensen ziek, dat ze letterlijk op straat omvielen. Achtendertig jaar later begon het in november te vriezen. De vorstperiode zou aanhouden toe eind april 977. Hetzelfde zou gaan gebeuren in november 977, en de ellende zou eveneens duren tot einde april 978.

“Iedereen zag ze vliegen”

In 995 moesten de inwoners uit pure nood kruiden en wortelen eten, aangezien alle “aerdevruchten” verrot waren door perioden van lang aanhoudende regen. Het nieuwe millennium opende met een optimistische klank. In juli kon men volgens de kroniekschrijver al nieuwe wijn drinken. Over de kwaliteit is niets bekend. In 1012 zorgde een zware storm ervoor dat de toren van de kerk van Hoei omviel en in het middenschip van de kerk terecht kwam, waardoor alle kanunniken, kapelaans en kerkgangers op jammerlijke wijze omkwamen. De zich op straat bevindende mensen “wierden van den wint ter aerde nedergeslagen”!

Twintig jaar later overspoelde een vliegenplaag met een groot gedruis de stad. Alle mensen die gestoken werden zouden overlijden. De kroniekschrijver beschouwde het als een plaag van God. In het jaar 1033 ontstond er ten gevolge van de hevige regen een hongersnood. Alle landvruchten gingen kapot. Er zou een grote sterfte volgen, waarbij “die geene die de dooden ter aerde brochten, oock in de graven doot vielen”!! In het hierop volgende jaar moest de prins-bisschop van Luik vele honderden mensen uit eigen beurs onderhouden, aangezien het voedsel door de misoogsten zo duur was geworden dat normale burgers dit niet meer konden betalen. Tja, een van de zeldzame keren dat deze “goedheilig” man iets goeds kon doen!